alles maakt zin

Moonstruck. Verliefd. Swept away. Mijn hielen eraf.

Vrouwelijke singer-song-writers kunnen mij meestal nogal krijgen. Verlangend naar ervaringsdeskundigheid beluister en beluister en blijf ik beluisteren. Lichtjes afgunstig, trachtend. Naar mooie woorden en mooie muziek.

Via Tess zag ik deze.

Mijn mond zette zich automatisch in oooooooooooooooooo.

W.A.W., deed hij nadien.

Zucht deed mijn hart. Zo mooi. Waterval. Daar was de waterval. Het deed iets met mijn botten. De ketting gleed vol-automatisch van de deur van mijn hart. Dit wil ik kunnen. Dit, ja, dit!

The sky looks pissed
The wind talks back
My bones are shifting in my skin
And you, my love, are gone

So glide away on soapy heels
And promise not to promise anymore
And if you come around again
Then I will take the chain from off the door



De jeugd van toen

Zondagmiddag begon het altijd. Buikpijn, hoofdpijn, zeurend. Wat op de zetel liggen. Wat rusten. Stiekem wat huilen. Ons mama kreeg er horens en zelf hoofdpijn van. Tegen zondagavond was ik niet te genieten. Nog een kletterende ruzie met zus en dan was het weekend weer ten end.

Sportweekend maakte de nachtmerrie compleet. Nog steeds krijg ik de kriebels in mijn buik wanneer ik die muziek hoor. Daarna Lutgard Simoens en tijdens haar sermoen naar bed. Wachten op de nachthengst die zou komen. Want hij kwam, dat was altijd zeker.

Naar school gaan was het ergste wat me kon overkomen. Van mijn drie tot mijn … euh … negendertig? Echt ziek zijn. Omdat het morgen maandag was. En ik de grootste schoolhater was die er maar bestond.

Tot Wim kwam. En bleef. Hij en ik alleen in de nachtelijke uren. Hoe langer ik hem hoorde, hoe korter de slechte nacht. Wim stelde mij gerust. Met hart en ziel. Door de jaren heen evolueerde hij van een geruststellende vaderfiguur tot een minnaar die me streelde met zijn klanken. Vele mooie momenten hadden we. Wim en ik. Wim zorgde voor de innerlijke rust die ik nodig had.

Wim was echter een grote onbekende. Zijn naam wist ik niet. Enkel wat hij maakte was me zeer bekend.

Manlief vulde ongeveer twintig jaar later de grote leemte in. Wim Mertens.

Blijkbaar een herinnering voor velen. Wat doet het met u???

Dood en Amen

We fietsen. De Mont Ventoux is er niks tegen.
Plots is er die dosis EPO die ik nodig heb. Een collega die me bemoedigt, een vriendin die tonnen ideeën doorstuurt … drugs voor The Mind and The Heart.

Het was nodig. Verslensing hing in de lucht. Bloem liet haar blaadjes weer hangen en kreeg niet genoeg lucht en licht. Woekerend onkruid, zoals ik al zei.

De spreekwoordelijke “sjot onder mijn kont” werd hoogdringend gevraagd. Au, zei ik. En toen: Dank jewel.

De bibber heb ik op het lijf. Wegens veranderingen ten top. Mijn billen verbrandden en nu moet ik op de blaren zitten. Genoeg Flammazine in de buurt, dat is waar. Maar het neemt niets weg. Niets van de bibbers, de kriebels.

Voor de eerste keer in tien jaar word ik juf van het derde leerjaar. Terwijl het zesde zich al jaren in mijn poriën nestelde. Ik ademde dat zesde. Ik bén dat. Weerbarstige pubers met hormoonwisselingen van hier tot Parijs. Toch helemaal mijn ding, niet?!

Niet meer dus. Lang verhaal dat kort is: vanaf september ben ik voltijds juf derde, vanaf januari ben ik dat halftijds met de huidige juf van het derde. (die bevalt van haar derde en daardoor een derde van het schooljaar afwezig is)

Schrik dat ik heb. Bibber, bibber, bibber.

De bibbers dus. Want tegen achtjarigen praten is helemaal anders dan tegen elfjarigen. Ik zal veel liever, zachter en geduldiger moeten zijn. En wat ga ik ze allemaal wijsmaken. Geen oppervlakteberekening van de cirkel meer, geen werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde, geen heliocentrisch wereldbeeld verklaren. Geen K’s Choice tijdens het thema van drugspreventie. Geen seksuele voorlichting waarbij ik zelf Rooie Oortjes krijg.

Niets van dat alles wat ik zo superboeiend vind. Wat nu?

Vandaar dat klascement mijn nieuwe beste vriendje is. Daar vind ik klasafspraken met beertjes versierd, ideetjes voor leuke kinderliedjes en knutselprojectjes voor kleine vingertjes.

Maar o jee, o wee … dat praten in verkleinwoorden ga ik nooit uit mijn strot krijgen. Dat weet ik nu al.

Het derde leerjaar met een ‘touch’ zesde. Veel …

U duimt toch ook? (voor mijn leerlingen)

De zon schijnt.
De lucht is blauw.
Witte wolken kleuren de dag.
De buurman fluit.
Luchtig leven mensen rondom mij.

En ik zit op drijfzand.
Bekijk de puinhoop van mijn oorlog.
Grabbel om me heen.
Koester de resten.
Die bleven.

De slager lacht.
De bakker wuift.
De bloemen bloeien.
De koeien kijken.
En ik graas.

Herkauw de puinhoop.
Op drijfzand drijf ik.
En zink.

Mijn vingers dralen. Aarzelen, treuzelen. Zou ik … zou ik niet?

Maar wanneer je al drie dagen op de meest onverwachte momenten denkt aan Anna die je eigenlijk helemaal niet persoonlijk kent, moet je wel iets schrijven.

Ik wil geen ramptoerist zijn. Zo iemand die iets erg ziet gebeuren en dan even stopt om te zien hoe erg het wel is.

Neen … neen …

ik denk gewoon dikwijls aan haar. Moest zoonlief iets vrouwelijker uitgevallen zijn, dan was zijn naam Anna geweest. Dat schreef ik ook bij Michel toen ze werd geboren. Dat ik haar naam zo mooi vond. Ik zag haar opgroeien en zag dat het kindje óók heel mooi is.

Het gaat niet zo goed met Anna. En ik weet niet of het hier op zijn plaats is om dat te zeggen. Maar ik zit er mee in. Ik kijk naar mijn eigen kind en hoop dat het me nooit of van mijn lange leven overkomt.

Vooral denk ik echter: Komaan, Anna, komaan … En komaan, dokters, komaan.

Heel veel sterkte voor Sandra en Michel. En voor hun kindjes.

Vanuit het diepste van mijn hart en mijn ziel.

Alles maakt zin

“Some people never say the words ‘I love you’. It’s not their style to be so bold.
Some people never say those words: ‘I love you’ But, like a child, they’re longing to be told.”

Eigenlijk is het van hem, maar ik hou van haar.

Je mag het me alle dagen zeggen. Ik zie je graag. Ik hou van jou. Ik ben zot van jou. Jij bent mijn invulling … Het vult alles in. Die woorden.

Sommigen vinden dat niet cool. Het heeft snel iets van “Ik hou van jou, ik blijf je trouw, met je ogen zo blauw.”
Iets Paul Zever-achtig, iets smartlapperig en zweem-zeem-zoet.

Maar zijn hand op mijn wang en zijn ogen in de mijne doen die Chinese muur rondom mij afbrokkelen en baren woorden die knikkende knieen en fladderende vlinders inhouden.

Neem je tijd en dan word ik Annie en geen Laura. Dan worden mijn woorden recht en goed. Mijn verwarring verdwijnt als een ijsje in de zon en ik zal het juist kunnen verwoorden. Nu geniet ik van even van de woorden van een ander. Die alles zeggen wat ik wil zeggen.


Zo is dat

Hier stond een zeer melig, über-romantisch stukje klaar.

Soms zijn woorden overbodig. Té veel.

Bij mij doen ze dat dikwijls. Struikelen over dat melige, über-romantische hart van mij. Bekijk mijn woordenwaterval. Het is bijna slapstick: zoals die woorden tuimelen en vallen.

En nu zwijg ik. Ja, ik kan dat. Moeilijk … maar ja …

En wat hebben we geleerd vandaag?

Dat arrogant lijken niet hetzelfde is als arrogant zijn.

Dat mensen die van nature arrogant zijn meestal niet in mijn vriendenkring vertoeven.

Dat arrogante mensen dikwijls verder komen in het leven.

Soms komen ze waar ik wil zijn.

Maar ik ben dan zo arrogant te denken dat ik het fijner doe.

My garden of Eden

Wanneer ik haar zie stappen in die gekke roze laarzen, voel ik een zekere doch verre verwantschap. Maffe mensen hebben altijd een speciaal plekje in mijn hart. Zij zijn het. Maf als wat.

De laatste weken duik ik weer in tuinmagazines. Mijn abonnement op Bloemen en Planten verliep drie jaar geleden. Mijn Velt-interesse ook zoiets. Het was een passie die overwoei. Wegens woekerend leven en onkruid in het hart. Maar het blijft me trekken. Zeker nu mijn maatje ook de passie te pakken heeft en er zelfs verder in gaat dan ik ooit gegaan ben. To boldy go enzoverder.

Binnen een paar weken komen ze de tuin aanpakken. Niet zij, hoewel ik het zou willen. En hopelijk ook niet Rosemary and Thyme. (want dan ben ik weduwe of dood voor ik het zelf weet)

We zullen het zelf moeten doen. En dat zal niet simpel zijn. Ondanks dat abonnement, een gamma aan tuingerei, leuke madeliefjeslaarzen en een schoolmoestuin onder mijn proliferatie. (sorry, chic woord, kon het niet laten) Dus verdiep ik me weer. Bibboeken, sites, tijdschriften. Ik ga er voor. De beste tuinarchitect allertijden. That’s me. Not!

Onze tuin is groot en onhandelbaar. Hij vereist een goed inzicht en een klare visie. Hij vraagt om een zachte aanpak en een zorgend oog.

Hier zie ik manlief een blik van herkenning werpen. Hij kan heel goed omgaan met zaken die groot en onhandelbaar zijn. Hij leest bijna moeiteloos hun handleiding. Hij heeft het geduld om ze met zachte dwang in een stramien te gieten.

Weet je, ik laat het aan hem over. Dat hij het doet. Die tuin.

Speel dit …. wanneer ik dood ben.

Dat zei ze me. Enkele jaren geleden.

Terwijl ik moeiteloos mijn eigen begrafenis al uitschreef, schokte dat verzoek even iets. Mijn hart. Mijn maag. Mijn buik. Of nog iets dieper.

Wanneer zij zou sterven, vergaat de wereld. Mijn wereld weliswaar. Maar hij zal vergaan. Dat weet ik zeker. Want zij is die steen. Zij is diegene die mijn leven bepaalde. Zij zal nooit worden vergeten. Ik ben het bewijs van haar bestaan. De stroom zal nooit meer dezelfde weg gaan.

We gooien regelmatig kiezels. Ik van die grote, dikke, zware kasseien. Zij van die kleintjes. Grind.

De hare hebben meer effect. Zij stapelen zich moeiteloos op, bedden een rivier. Minzaam draait ze me soms alle richtingen uit. Omdat ik dikwijls ook wil zeggen: “Kijk eens, mama, zonder handen.”

Vandaag viert Vlaanderen haar. Dag Moeder.

Ik vier haar niet genoeg. Koop bloemen en pralines en misschien ook wel een ontbijt-Bongo-Bon. Geef haar drie kussen en glimlach wat weg. Het zegt niets. Zeker niet genoeg.

Gisteren ging ik op zoek. Ik zocht. Ik vond. Mijn steen. Onze kei.

Ze noemt me soms een “kei-kop”. En dat ben ik ook. Maar dan meer zo’n lava-gesteente. Vurig, kokend, kolkend, eens zacht en dan hard. Ze schrikt daar van. Ziet liever kristal of diamant. Zij is dat zelf.

Straks geef ik haar de steen. Want ik leg hem. Nu al. Niet wanneer ze dood is. Maar nu.  Want mijn leven zou nooit hetzelfde zijn zonder haar. Zij is mijn mama. Alle dagen van mijn leven. In goede en in kwade dagen. Dat klinkt als een belofte?! Dat is het ook …