Na een avond in de hel ben ik op aarde neergedonderd. Er worden knopen doorgehakt. Gemengd gehakt. Iets van een 400 gram, alstublieft.
Het geeft wel rust. Tegelijk boezemt het me enorm veel angst in. Maar ik stap eruit. Niet letterlijk, wees niet ongerust. (Ik kan u hierbij trouwens ook vertellen dat ik ooit een ongelooflijk satirische sketch over het nummer 026499555 schrijf.!)
Maar ik geraak er zelf niet meer uit, draai in cirkels rond en dat geeft een kolkend effect: hoe langer hoe meer de dieperik in.
Met een kind onder mijn hoede wil ik daar niet naartoe gaan. Dus ik stap eruit.
Hoe? Waar? Wanneer?
Dat weet ik zelf allemaal nog niet. Maar het alleen al zeggen geeft zo’n rust.
De vraag blijft zich wel stellen. Hoe openlijk moet een mens met zijn gekheid, zijn wanhoop en zijn verdriet zijn?
Heeft het u overweldigd? Angst aangejaagd? Ironisch doen glimlachen? Met opgetrokken wenkbrauwen doen wegkijken?
Ik ben bloot. Zo naakt dat het enkel nog rauw is.
Daar wordt niet over gesproken. Geluk en liefde en blijheid worden geëtaleerd dat het niet meer schoon is. Maar over wanhoop, depressie en zwartgallig verdriet zwijgt iedereen als vermoord. Dat is niet IN. Dat is niet hip. Dat is vooral heel vervelend en ambetant. Weg vlieg, weg …
Mijn wereld is het laatste half jaar enorm vernauwd. Familie en vrienden lieten me zakken, in de steek, stikken of liever … ze wisten er waarschijnlijk geen blijf mee. In nood kent men zijn vrienden. Een waarheid als de welbekende koe. Boeh. Ik heb er niet veel meer … vrienden … maar diegenen die ik heb draag ik de rest van mijn leven mee. Ik zal ze koesteren. Later … wanneer ik terug groot ben. Nu koesteren zij mij. Dragen me. Nemen me mee in de wind van het dagelijkse leven.
Ik kan het niet meer van hen vragen en verlangen. Ik moet terug op eigen benen staan. En zelf stappen. Zonder gedragen te worden.
Duim voor me! Het is supereng! Maar ik geef het niet op. Leven wil ik. Leven.
