Ademloos

Nu de realiteit en waarheid stilaan naarbuiten sijpelen, kunnen reacties niet uitblijven. Ieder denkt me nog te kunnen helpen met een karrevracht goede raadgevingen. Het is bovenal verbazing met hier een daar een snuifje verontwaardiging dat me overspoelt. Hoe? Waarom? Watte? En niet altijd in die volgorde.

Het doet me weer wankelen. Ik nam beslissingen, beslissingen werden voor mij genomen, veranderingen overkwamen me en ik schatte niet altijd de gevolgen ervan in. Ik draag ze. Die consequenties. Verbrande billen en blaren, u kan er zich iets bij voorstellen. ‘t Is dat alle brandwonden uit mijn verleden bleven etteren en open liggen. Mijn schouders waren niet sterk genoeg om alle last te dragen. Ik zocht me een aantal lastdieren. Vond ze en gebruikte ze. Dankbaar om wat hulp.
Maar het was niet genoeg. Ik wou meer en meer en meer … bodemloos noemde hij me. Een leeg vat werd ik ook genoemd.
Vandaag kan ik zeggen: het vat is vol. Meer dan vol. Het stroomt over en sleurt iedereen tsunami-gewijs mee in de kolkende woestheid van mijn onvermogen. Redde wie zich redden kan.

Dat doen ze. Ze lopen, rennen als muizen op een zinkend schip. Gelukkig is niet iedereen van (dat) slag. Enkele boeien worden me toegeworpen. Soms uit onverwachte hoek. Dikwijls toch vertrouwd en veilig.
Mijn wanhoop is niet meer weg te steken. Er is ook niet meer naast of over te kijken. Wanneer zelfs een ver en vaag bekend blogvriendinnetje louter en alleen uit mijn schrijfsels lijkt af te leiden dat ik er elk moment een eind kan maken en me dan heel lief laat beloven dat ‘we dat niet zullen doen’, besef ik dat communiceren toch wel goed kan zijn. Een jarenlange facade van bliss and happiness ophangen en daar dan zelf ook volledig in geloven … het doet de omgang met de buitenwereld geen goed.

Ik weet het dus niet meer. Of het een facade was of echt. Ik geloofde altijd dat het echt was/is. Nog steeds is er hoop. Maar ze wordt wel ondergesneeuwd door de keiharde realiteit.
Ik kan ze niet aan. Niet.
Ooit wordt het beter. Ooit komt alles goed. Dat weet ik. Met mijn verstand weet ik dat. Maar ik zal het niet meer vertrouwen. Dertien jaar geleden zat ik hier ook. Dacht ik dit ook. Het kwam goed. ‘t Ging ook weer mis. Dus het leven, mensen, … het is sjit. Het is brol. Het is zever in pakskes. Geen bzn-toestanden meer. Geen pepgedoe. Zitten. Met pakken. Bij de pakken. Nah!



All these bruises keep you awake
I guess I’m just too tired to sleep
God only knows I’m too lost to cry
For kissing liars has kept me true

I’ll fall but I’ll heal
So hold me tight cause I’m so lonely
I’ll fall but I’ll heal
So hold me tight cause I’m so lonely

He hates so much his love he says
Inside it’s dark I need to smile
He shouts so loud I never hear
That’s why the truth’s always abused
As I slip into unconsciousness
I never felt so much to blame

As I slip into unconsciousness

Single woman

Met een rilling schud ik mezelf op de drempel even af. Niet dat het regent maar ik werd overspoeld door dat zwarte waterig gordijn dat eenzaamheid heet.
Alleen op stap gaan terwijl je weet dat er thuis iemand in bed op je ligt te wachten is toch een ander gevoel dan een avondje uit en beseffen dat er niemand gaat zijn die altijd naar jou luistert, aan jouw kant staat en je desnoods naar huis voert wanneer het gezelschap de sfeer van een kerker uitademt.

Gisteren deed ik het. Een stapje in de wereld. Op mijn uppie.
Ik nodigde vriendinnetjes uit die allemaal andere verplichtingen hadden. De ene moest naar een feestje, de andere naar een jubileum en nog een andere was ziek. Niemand kon mee. Bloem moest alleen.

Nog zoiets: je partner heeft zo goed als altijd dezelfde agenda als jij. Je vrienden dus niet.

Ik twijfelde. Zou ik niet gewoon thuisblijven? Wat aan mijn rapporten schrijven? Wat zappen? Wat surfen? Wat chatten? Zou ik niet beter onder de dekens kruipen en mijn waterval terug openzetten?

Nope. Met een opflakkering van de oude Bloem zei ik boem. Ze krijgen me niet klein. Ik doe wat ik wil doen. Desnoods alleen dus.
Lichte beveiliging: Theater kijken bij je eigen theatergroep levert gegarandeerd babbelvriendjes op. Desnoods ga je een tijdje computeren om de reservaties na te kijken. Je drinkt aan een vriendenprijsje twee glazen chateau migraine en kan met goed fatsoen opstappen wanneer je zelf maar wil. Maar het naar huisrijden was bevreemdend omdat ik na een theatervoorstelling meestal niet alleen zit. Met een krop in mijn keel en wat verblind door die waterval die nogal overstroomt de laatste tijd, reed ik richting woning.

Gelukkig smste er nog een vriendje of ik iets mee ging drinken. Dus zaten wij als twee veertigers wat tegen elkaar te zagen over relaties en de eindigheid ervan. Over verliefdheden en de bitterheid ervan. Over kinderen en de zaligheid ervan. Ik zette hem thuis af want dieetgewijs was het bij die twee keer chateau migraine gebleven en hij is nooit op dieet. Na een dikke knuffel kon ik me met goed fatsoen in de wagen naar huis begeven. Veel te moe om verdrietig te zijn over de eenzaamheid van mijn grote bed. Eindelijk slapen. Lang. Droomloos. Katerloos. Het was een fijne avond. Ik had het nodig.

Insomnia

Op vijf nachten sliep ik 25 uur. Das iets meer dan een dag. Ik kan u verzekeren dat dat niet genoeg is om als een vrolijke olijke jolige vrouw door het leven te gaan. Gelukkig wordt dat momenteel niet van me verwacht. Maar dat mijn ogen open blijven is toch wel een vereiste voor mijn werkgever, denk ik.

Sweet memories

Dan denk ik aan de tijd dat hij me moeiteloos over zijn schouder zwierde en het huis ronddroeg. Ik daarbij, quasi prinsessenachtig quasi protesterend op zijn rug tokkelend. Hij met vaste hand rond mijn billen en maar de stoere uithangen. Lachen tot de zever uit mijn mond liep.
Dan vind ik servetten terug die ik schreef in 2001, 2006, 2008 met daarop lieve woordjes voor tussen zijn boterhammen.
Dan luister ik naar muziek die van ons was, kijk naar ons kind en denk ik: Waar zijn we in godsnaam mee bezig?

Wat een ketterse vraag is voor een ontdoopte als ikzelf.
Dju toch.

Hold on, hold on to yourself, for this is gonna hurt like hell.

Afscheid

Als je wil zien, hoe veertigjarig vel rimpelt, samentrekt en rood wordt … kijk dan even in mijn gezicht.
Let vooral op randen aan neus en mondhoeken, lijnen in ooghoeken die dieper liggen, meer schaduw hebben dan een half jaar geleden.
Mijn wangen vallen meer in, zijn holler. Net als mijn hart dat leger lijkt dan ooit tevoren.

Vandaag kruip ik in de meligheid, de wanhoop en weemoedige walm van Marco Borsato. Koning van het levenslied. Misschien kan hij er eens eentje schrijven over mijn leven. Dat volledig in de ruine en puinhoop ligt. Niet meer te restaureren. Niet meer te herstellen.
Mijn naam is Ming. Zo eentje vol barsten en scheurtjes. Nog steeds kostbaar maar o zo fragiel.
De kogel is door mijn kerk. Nog even en het is voorbij. Voor altijd.

Toch wat pepvoer for the mind

“Jullie zullen daadwerkelijk vrij zijn,
niet wanneer je dagen zonder zorgen,
noch je nachten zonder een wens en een weeklacht zijn,
maar veeleer als deze dingen je aangorden
en je er toch bovenuitstijgt,
naakt en onbegrensd.”
Kahlil Gibran

Kahlil kan het uitleggen. Goed uitleggen.
Vandaag beklijft het even. Ik heb zin om te stijgen.
Boven alles uit.

Vanavond een drankje met bloggers. Zo lang geleden. Het idee alleen al doet deugd.
Mag ik nog wat volk uitnodigen? Entrepot Du Congo it is … voor lieve mensen only. :)

 

Hij kijkt. Kijkt weg en meteen weer terug. Mijn hand verhuist van mijn mond naar de zijkant van mijn gezicht. Mijn zakdoek is verborgen in mijn handpalm. Ik hou mijn adem en snikken in. Het landschap schiet voorbij. Net als de conducteur die ik zeer vriendelijk begroet met ‘goeiemorgen’. Terwijl de zon al aan de horizon staat. Klaar om te zakken, te vallen, niet in zee maar slechts even ondergaan om over een paar uur weer te rijzen.

Hij kijkt. Blijft kijken. Ik vlucht voor zijn blik. Zet mezelf in het midden van de zetel, verborgen voor zijn ogen. Mijn billen glijden bijna probleemloos in de spleet die de stoelen scheidt. Magerder werd ik. Niet van verdriet, want dan zou ik terug mijn oude Sidonia-figuur hebben. Neen, het dieet werpt zijn vruchten af. Twee keer per dag. Een stuk fruit.

Ik dwaal af. Net als zijn blik. Gelukkig maar. Het is geen zicht: veertigjarige vrouw met midlifecrisis hardop snikkend op de trein. Genant.

Plaatsvervangende schaamte doet hem wat heen en weer wiebelen op zijn stoel. Dan verdwijnt hij in een boek. Opgelucht neem ik het mijne: “Oorlogswinter” van Jan Terlouw. Omdat jeugdverhalen erg troostend kunnen zijn. Zelfs in tijde van oorlog, koude winters en bevroren harten.