Niemand weet, niemand weet dat ik appelsteeltje heet…

Ik had altijd appelvriendelijke lieven.
Hun naam begon met letter F, G, J, I, L … . Het kwam altijd netjes uit. Hoewel die laatste al wat moeilijker was.
Mijn eerste lief had een naam die begon met een W.
Dat was knap lastig. Dan probeerde ik het door achteraan in het alfabet te beginnen. Maar een W zit nog knap dicht bij een Z dus meestal foeterde ik wat en trok ik extra hard bij de W.

U kent dat toch?
Dat lagere-school-appel-spelletje?
Je draait aan het steeltje terwijl je de appel in de andere richting draait. Ondertussen zeg je luidop het alfabet beginnende bij A.
Wanneer het steeltje afbreekt, stop je en weet je meteen met welke letter de naam van de liefde van je leven begint.

Ik kan je verzekeren: zeer gemakkelijk met letters uit de eerste helft van het alfabet.
Ik ben blij dat ik nooit een lief had dat Paul of Rudy of Thomas heette.
Ook hadden de meesten een éénlettergrepige naam. Als in de goede ouderwetse Vlaamsche namenreeks uit de jaren zestig en zeventig.
Maar dat heeft dan weer niets te maken met het appelsteeltje.

Vandaag betrapte ik er mezelf op dat ik appel at. En het spelletje deed.
De liefde van mijn leven is al gepasseerd maar er mag zich altijd een nieuw appelsteeltje aandienen.
Ik spin wel wat goud …
of zoiets.

Boektoe.

Met van die sierlijke grote letters en mijn ganzenveer schrijf ik deemoedig: Einde.
Ik blaas nog even op de natte inkt maar krijg hem toch niet sneller droog dan ik wil.

Het gebeurt zelden maar deze keer sla ik het boek niet meteen toe.
Het mag nog even open blijven liggen. Op de laatste bladzijde.
Ik lees of herlees helemaal niets.
Het witte blad staart me aan. De zwarte natte letters spotten een beetje met mijn overmoed.
Daar komt de sentimentaliteit opzetten.
Ik verzwelg weer op zijn iris’.

Vandaag vond ik het voor de eerste keer fijn. Heerlijk.
Het boek is nog niet toe.
Maar wel af.
Het is af.
Het einde is dramatisch maar dat kan niet anders. Want niet alle sprookjes eindigen goed. We leven niet allemaal lang en gelukkig samen.
We nemen afscheid. En gaan verder.
Boek toe.

Morgen zet ik het in mijn boekenkast.
Op een ereplaatsje. Daar past ie.

Femina

Ze doet het weer.
Met hem.
En ik vind dat dus weer zoooooo goed!

En wat het leukste is: ik heb de meest vrouwonvriendelijke man net aan zijn 97ste stem geholpen.
Niet dat ik een feministe ben in de klassieke zin van het woord. Ik hecht nogal aan mijn rokjes, hakken en sakosjen.
Maar dat vrouwen gelijk behandeld moeten en mogen worden … yep, daar sta ik achter.
Dus vanuit mijn diepste oermoederlijke buikgevoel, roep ik iedereen op: STEM!

Jager – jaagster

Voornemens vind ik onzin. Sorry. Ik vind dat.
Bij mij blijven voornemens beperkt tot: Vanavond ruim ik mijn bureau op.
Om dan bijgevolg uren te schrijven, te surfen en heel laat boos te worden op mezelf omdat ik TOCH niet gedaan heb wat ik van mezelf moest doen.

Plannen doe ik wel. Elke donderdagavond worden de rekeningen betaald. Belangrijke telefoontjes doe ik op woensdag. Op een zaterdag alleen slaap ik uit. Die andere zaterdag foeter ik op CN (Cartoon Netwerk) en leg ik pedagogische regels op die ik als kind zelf zou verfoeien.
Ik spreek af met vriendjes en vriendinnetjes. Ik ruim op wanneer ik voel dat het nodig is. Mijn Bloem wordt regelmatig buiten gezet.
Kortom, ik leef goed.

Na de navelstaarderij van de laatste weken kreeg ik weer een sjot onder mijn kont. Gelukkig zijn is een keuze.
Ik ben niet zo goed in kappen. Geen kapster hier aan deze kant. Ik ben meer een klever.
Maar na een verhelderend gesprek kreeg ik echt wel een kap-visioen.

Hij gaat scheiden. Heel goed ken ik hem niet maar we hadden al een paar leuke koffie- en theeafspraken. Na 19 jaar zet hij er een punt achter. 19 jaar … dat vind ik een gigantisch lange tijd. Zo lang was ik nog nooit met iemand samen.
Ik kijk naar hem en zoek naar de wanhoop, het verdriet, het immens intense leed. Wat ik zie is een grote sterke man met een twinkel in zijn ogen. Ik leg mijn hand op zijn arm en knijp even troostend. Hij knipoogt.
Wat is dat toch? Het interesseert me.
Ik vraag het hem: “Ben je dan niet wanhopig? Heb je geen heimwee naar vroegere mooiere tijden?”
Hij antwoordt bevestigend: “Ja, maar het glas is altijd halfvol en er is altijd opportuniteit.”
Mijn verbazing stijgt.
Dat kan toch niet? Dat je zo luchtig over een afscheid voor het leven denkt?
Hij glimlacht bij mijn dramatiek.
“Dat is niet luchtig. Dat is realistisch. Sommige dingen gaan voorbij.”
Ik krijg een krop in mijn keel en vertel hem over mijn verdriet.
Nu is het zijn beurt om troostend mijn arm te knijpen:”Je moet kiezen. Kies voor jezelf. Kies voor je vrienden. Kies voor gelukkig zijn.”
“Wees eerlijk: smacht hij nog om jou? Nodigt hij je nog uit? Stuurt hij nog smsjes, mailtjes die niet met jullie kind te maken hebben?”
Ik moet eerlijk en aldus negatief antwoorden.
“Vwalla! Dat is het. Daar moet je mee verder. Maar je moet verder!”

Hij inspireert me. Ik wil dat ook. Zo realistisch zijn. Nuchter en kalm.
Dan lach ik mezelf uit. “Dat kunt gij helemaal niet, kieken!”
Dus verplicht ik mezelf niet om dat alles te zijn.
Maar ik zeg wel dat ik vanaf vandaag terug jaag.
Niet op mannen, maar op mezelf.
Komaan Bloem! Vooruit is de richting.

Daarom weer een oproep …
willen jullie me af en toe eens een ‘sjot’ geven?
Wanneer de navelstaarderij weer gigantische vormen aanneemt.
Wanneer u denkt: Komaaaaaaaaaan Bloem, dat schrijf je al voor de -tigste keer!

Alvast bedankt … ik brei mezelf wel een zacht kussen om de blauwe plekken te verzorgen. Want dat er gesjot gaat moeten worden, dat is een feit.

De stoerheid van de vinger

Dinsdagochtend. Slaapogen. Bus. Zwemmen.

De chauffeur praat en praat. Ik luister en luister en knik af en toe wat instemmend of ontstemmend of stemloos.
De klas praat luid en luider. Over games met cheats (what’s in a name?), over popsterren, over nagellak en schoenen.

Mijn brein is elders. Waar juist weet ik niet. Maar elders dus.
Bussen rijden af en aan. Bus van naburige school, school van het naburige dorp, school van dezelfde scholengroep … iedereen gaat vandaag zwemmen.

Plots trekt hij mijn aandacht. Niet de buschauffeur maar zijn vinger.
Een beetje stoer steekt hij die telkens omhoog wanneer hij een bekende buschauffeur passeert. De andere man doet trouwens net hetzelfde met dezelfde intonatie in de wijsvinger.
Ik glimlach.
Stoere mannen onder elkaar.

Bij sommigen doet hij zijn vinger opzij aan het stuur, bij anderen steekt hij de hele hand met vinger in de lucht.

Ik proest het bijna uit.
Het doet me denken aan van die stoere motorijders. Die houden hun handen aan het stuur maar steken met hun vinger opzij wanneer ze een mede-motard voorbijrijden.Of ze elkaar nu kennen of niet.
Er is een mannelijk samenhorigheidsgevoel. Nu ja, misschien is het niet helemaal mannelijk. Misschien is het gewoon oerestoer.

Het doet me lachen.
Het lijken wel kleine jongetjes die willen laten zien hoe groot en hoe flink ze zijn.
Of is dat te pejoratief?

Ik vind het in ieder geval erg grappig.
Joe de mannen!

Okkazie

Ik ga niemand wijsmaken dat ik in dit jaar geen enkele man ontmoette die ik de moeite vond. Integendeel, er schreden allerlei leuke mannen over mijn levenspad maar niemand bleef lang genoeg om te kunnen zeggen dat we samen verder zouden schrijden. Een betere toekomst tegemoet of zoiets in die aard.

Ik ga ook niemand wijsmaken dat ik niet van mannen hou. Ik heb dat graag… een man. Dat is boeiend, entertainment, interessant. Dat kan zacht zijn en lief en lekker ruikend. Dat kan u zo heerlijk stevig knuffelen waarbij je voelt hoe een man soms hard is waar je als vrouw dan weer zacht bent.

Ik vind dat een goede combinatie. Een man met een vrouw.

Mijn marktwaarde getuigt van een redelijk optimisme, ondanks het feit dat ik rimpels heb, wat malser ben rond de heupen en dat de zwaartekracht soms zijn tol eist. (Onderkin bedoel ik dan!!!!) Er bestaan nog mannen die met mij over een straat willen lopen.

Je zou zo zeggen: Bloem, kies er eens eentje.

Tja. Dan komen we aan het moeilijke gedeelte.

Ten eerste: ik hou nog te veel van de vader van mijn zoon om al meteen een nief lief te ‘nemen’. Zo eentje dat je meeneemt met kerstmis, oudjaar, pasen en alle andere hoogdagen die een niet-katholiek als ik toch wel fijn vindt.

Ten tweede: ik vraag me af of er somewhere outthere wel een man bestaat die bij me past. Na twee huwelijken en eens zoveel relaties kom ik er niet helemaal uit of het nu aan mij ligt of aan hen. (Het kamp der mannen). Ben ik gewoon een moeilijk, veeleisend, vervelend mens? Of kom ik gewoonweg altijd de verkeerde mannen tegen?

Wanneer je je als single vrouw op datingsites begeeft (ja, ik geef dat ook toe . Ik heb daar een profiel GEHAD!  Zoek me niet want dat profiel is al lang en breed verwijderd), kom je dus leuke mannen tegen. Ik hield er een paar fijne vrienden aan over. Mannen waarmee ik nu iets ga eten of ga drinken wanneer ik toevallig tijd heb. Lieve mannen. Slimme mannen. Mooie mannen. Grappige mannen. Jammer genoeg niet altijd in combinatie.

Het vervelende is dat veel van die mannen zeer gehuwd zijn. Nu ja, vervelend is misschien niet het juiste woord. Mij maakt het niet zo uit. Ik ben niet op zoek naar een vaste relatie. En trouwen doe ik van mijn lange leven nooit meer. (Voor degenen onder u die meteen protesteren en zeggen: Zeg nooit nooit. Ik MEEN dat! Ik trouw NIET meer! NOOIT!)

Het komt me zelfs goed uit. Het zijn mannen die niet beschikbaar zijn en aldus geen spek voor mijn bek. Handig… want ik ben dus niet op zoek naar een vaste relatie.

Ach …

ze gaan met mij iets drinken maar ze betalen de lening af met iemand anders. Mij goed. Iedereen is het vanaf het begin duidelijk wat de bedoeling is.

Ik zou het me niet mogen aantrekken dat ze niet voor mij kiezen.

Maar ja, de logica in mij moet nog uitgevonden worden … Dus ik zet meteen een domper op het fijne vrijgezellenbestaan. Soms voel ik me dan zo tweedehands. Ik ben geen eerste keuze. Ik ben gewoonweg GEEN keuze. Ik ben die gezellige madame die af en toe wel eens spitsvondig uit de hoek kan komen maar die je dus niet meeneemt met Kerstmis, oudjaar of Pasen.

Soms voel ik me dan een okkazie. Niet meer goed genoeg om mee te pronken op pronkmomenten maar wel nog prima in orde voor een gezellige babbel of een luisterend oor.

Geen Mercedes of BMW of Porsche maar een gezellig Geitje waarvan de garantie al een tijdje verlopen is.  Het is natuurlijk ook mijn eigen keuze. Om me niet te engageren, om de boot af te houden …

Ben ik zeer onlogisch wanneer ik zeg dat ik ook wel eens graag Miss van zijn Universe zou willen zijn?

http://www.youtube.com/watch?v=l_iRdgGZ6Xc

The final countdown?

Soms vraag ik me af wanneer het werkelijk ‘de laatste keer’ gaat zijn.
De laatste keer dat we ergens naar toe moeten als ex-koppel.
De laatste keer dat ik een opsomming krijg van alles wat we deelden en dat nu gesplitst is.
De laatste keer dat ik moet kijken naar een blad papier waarop de data van het vonnis en de werkelijke registratie van de scheiding staan.

Elke keer weer bekruipt me het gevoel dat ik gefaald heb.
Ik ben er (weer) niet in geslaagd om een huwelijk uit te zitten tot op het laatst.

De autorit verloopt vlot.
Ik vraag hoe het op zijn werk is.
Hij vraagt niets aan mij.
We praten over de zoon, over de zoon en over de zoon.

We stappen het notariskantoor binnen en wachten. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier.
Ik lees een verloren gelopen ‘Nest’ in de wachtkamer.

Nog steeds ben ik me ontzettend bewust van zijn lijfelijke aanwezigheid.
Heel even maar heb ik de neiging om mijn hand op zijn arm te leggen.
Ik hou mezelf in. En dat doe ik de hele tijd nadien ook.

De rit terug is even vlot.
Ik merk hoe we verschillen. In mening, opvatting.
Er is geen onderwerp waarover we kunnen praten zonder dat ik me bewust word van de wijdheid die er tussen ons is.
Ik word weer even niets waard.

Hij zet me af en laat de motor draaien. Geen kopje koffie dus.
Ik zeg: “Tot straks” omdat ik zoonlief naar zijn vader ga brengen.
Hij knikt.
Ik stap uit, open mijn brievenbus.
Ondertussen rijdt hij mijn kleine opritje af en wuift hij nog even.

Het is als een misselijkheid die me overvalt. Ken je dat?
Nog snel rennen voor je aan de wc komt en je moet kotsen tot je hoofdpijn hebt.
Ik bereik nog net mijn achterdeur die ik haastig openzwaai om de gulp van verdriet te lozen.
Ik snik weer.
En snikken.
Met mijn hoofd op de keukentafel, mijn handen ernaast, huil ik heel mijn mascara de vernieling in.
Mijn lijf schokt. Ik kreun. Ik huil. Ik jank.

Ik laat het maar toe.
Ertegen vechten helpt toch niet.

Na 1 jaar single zijn, verlang ik nog altijd naar zijn glimlach.
Verdomme! Godverdomme!

Ik kijk opzij. Zijn ellebogen op het bureaublad, zijn blik gefixeerd op het scherm. Hij wrijft driemaal over zijn baard en wijst dan naar de boodschap die de nieuwe Mac ons geeft.
Zijn stem is wat heser dan anders. Hij praat tegen me maar ik hoor niet echt wat Hij zegt. Ik bekijk zijn profiel, de neus, zijn kin die zo typisch Hem zijn.
Ik knik en ik glimlach, blij dat hij me helpt.
Zoonlief springt er regelmatig tussen met knuffels en enthousiaste kreten.
Voor hem is dit een festijn.

Als het na anderhalf uur en twee koffies duidelijk wordt dat het wat duidelijk is, staat hij op. Hij trekt zijn trui naar beneden zoals altijd wanneer hij gezeten heeft en wrijft nog eens driemaal over zijn kin.

Het is me allemaal zo vertrouwd. Ik klem mijn handen in elkaar opdat ik Hem niet zou aanraken. Het lijkt vanzelfsprekend dat ik hem kus en knuffel zoals altijd wanneer Hij me hielp. Maar ik doe het niet. Ik sta stokstijf stil en wacht tot Hij me een vluchtige kus op mijn wang geeft.
Ik ruik hem. Zijn geur is nieuw, anders, minder van mij, van ons.

Ik slik en slik. Ik ga NIET huilen waar hij bij is.
Na het afscheid van zoonlief gaat hij naar beneden en stapt hij op zijn typische manier in de richting van de achterdeur.
Ik zeg dat hij bedankt is, dat het fijn is dat ik bij hem terechtkon.
Hij lacht wat afwezig en stapt weg.
Zo gauw hij de hoek om is, draai ik me om en duw ik de krop in mijn keel naar beneden.
Met mijn handen op de keukenstoel leg ik mijn kin tegen mijn borst en snik ik het uit.
Bittere tranen vinden hun weg over mijn gezicht. Ik kreun en huil, ingehouden maar toch hoorbaar.

Anderhalf uur in zijn aanwezigheid en ik voel me weer net als vroeger.
Klein, nietig en zo verlangend naar zijn warmte en omhelzing.
Ik mis hem wel, ik mis hem niet, ik mis hem wel, ik mis hem niet, ik mis hem …

You can’t always get what you want

Soms ligt het voor je neus en zie je het niet.
Je zoekt. Kijkt rond. Verkent.
Je blik op de horizon gericht.
Want dat is het doel.

Terwijl er ondertussen allerlei mensen een verhaal met jou maken in je buurt. Je merkt het niet meteen. Je weet het niet altijd. Maar dikwijls wordt het wel duidelijk wanneer ze er niet meer zijn of weigeren nog een geschiedenis met je op te bouwen. Dan komt er een immens gevoel van verlies naar boven. Het lijkt alsof er iets geamputeerd wordt.
De verrassing van dit verlies laat me elke keer verslagen achter. Ik verlies niet graag. Ook niet met spelletjes. Ik wil een winner zijn.
Maar mijn eigen levensgeschiedenis leert me dat ik telkens iets verlies wanneer ik win. En omgekeerd. Ik ben Hem kwijt maar ik kreeg er mooie mensen voor in de plaats. Dat noem ik dan geluk. Gelukt bij een ongelukje. Toch blijft het knagen, vreet het me soms op. Het is de fantoompijn die me teneergeslagen doet voelen. Achteruit en vooruit kijken helpt me dan niet. Mijn blik focussen op de dag van vandaag zou dan wel een vooruitgang kunnen betekenen. Doch …

Leven in het hier en nu is iets dat moeilijk onder mijn knieën te krijgen is.
Het smachten en trachten kan dikwijls zo heerlijk zijn. Het wentelen en keren is dan mijn talent.

Vandaag kreeg ik een cadeau.
Een aanbod van pure vriendschap en liefde.
Terwijl ik het niet zag aankomen.

Ik hou het in mijn handen en weet niet goed wat ik ermee moet doen.
Ik wil het niet laten vallen. Ik wil het niet kwetsen.
Maar het vasthouden zou engagement betekenen voor iets dat ik momenteel niet kan hanteren.
Mijn hier en nu is kort en kortzichtig. Geen bril om verder te kunnen kijken dan nodig is. Geen roze bril.

Verdomme, hoe weet je wanneer het juist is? Wanneer je ‘ja’ moet zeggen en wanneer een ‘neen’ de beste beslissing is?
Wie geeft mij hier de handleiding van het leven?

Neighbours!

Mijn ouders zijn fantastisch. Echt waar.
Ze helpen me enorm, zowel op praktisch als op financieel vlak. Zonder hen zou ik niet zitten, staan, wonen waar ik nu dus zit en sta en woon.

Dat valt de buren ook op. Mijn vader doet hier om de 14 dagen het gras af en schoffelt en wiedt dat het een lieve lust is.
Vraagt vandaag de overbuurvrouw aan hem: “Heeft ze nog geen nief lief om dat te doen?”

Mijn mond viel open toen hij me dat vertelde …
Ten eerste heb ik dus geen man of lief nodig om mijn gras te maaien. (Schunnige grapjes achterwege laten aub).
Ten tweede vraag ik me af waarom de buurvrouw, die zelf al meer dan 20 jaar weduwe is, dat wil weten.
En ten derde zijn dat haar zaken niet.

Ik leer net een beetje leven zonder een nief of oud lief. Ik steun nog zoveel op vrienden en vriendinnen. Ik wil helemaal niemand.
Is dat nu normaal?
Dat je verondersteld wordt om er na een 10 maanden apart wonen iemand weer in je hart en je ziel toe te laten?
Dat lukt me niet.
En ik vraag me af of het ooit nog echt gaat lukken.

Dus euh … buurvrouw, kijk in je eigen tuintje. Het mijne wordt goed onderhouden door de enige constante man in mijn leven. Mijne papa!