Een kneusjeswinkel is het. Terwijl in mijn dorp nogal veel fancy pancy bloemenwinkels zijn, is de hare wat achtergebleven.
Net wat minder flashy spullen, en zo van die volledig foute met gekleurd zand opgesmukte vazen …
Zijzelf is een reïncarnatie van Kate Bush in haar jonge tijd met een volledig foute coupe soleil én permanent.
Ze praat ook wat raar. Alsof ze net twee liter vodka achter de kiezen heeft.

Afijn … het is niet meteen een bloemenwinkel die je prefereert voor het betere kado aan familie en vrienden.
Toch ga ik er de laatste tijd regelmatig langs.
Haar prijzen zijn namelijk helemaal niet zo fancy pancy en dus best interessant voor mijn portemonnee.
Ik kocht vandaag een redelijk geel bloemstuk mét kip en ei voor mijn jarige tante.
Terwijl ik het op de toonbank plaats, glimlacht ze vriendelijk en zegt ze: Dat is mooi, hee.
Ik kijk en glimlach haar toe. Heel mooi is dat.
(Niet echt, maar je zegt natuurlijk niet wat je er écht van denkt.)

Wanneer we afrekenen vraag ik of ik een klantenkaart krijg.
Haar glimlach wordt groter.
“Ja,” zegt ze, “ik weet niet altijd of mensen het wel zien.” Ze wijst op twee enorm grote bladeren achter de toonbank waarop staat: Vanaf heden een NIEUWE klantenkaart, vraag ernaar!!!. Je kan er niet naast kijken en dus vroeg ik er naar.
“Ik wacht altijd even tot de mensen het zelf zien. Ik durf het niet meteen zelf voorstellen. Maar ik ben dan altijd zo blij als ze het vragen.”

Haar ontroerende oprechtheid doen me nog meer glimlachen en vooral weer even slikken.
Zo schoon. Blij zijn met het feit dat mensen aan je toonbank naar een klantenkaart vragen. Het is een zekere vorm van waardering, natuurlijk.
Er zit een naîeviteit in haar opmerking die me ontroert.
Ik glimlach nog een tikje warmer dan ik kan en bedank haar voor het ietwat klunzig ingepakt kado.
“Dag en hartelijk bedankt. Fijn paasweekend.” Zo neemt ze afscheid.
Ik zwaai even en loop dan met een big smile naar mijn wagen.
Soms is de wereld gewoonweg ontroerend schoon.
Zoals vandaag.
Vrolijk pasen voor u allen.

Heelt tijd dan toch alle wonden????

Het is me gelukt.
En neen, het voelt niet als een overwinning.
Het voelt ook niet als een verlies.
Het voelt … alsof ik niets voel.

Het is me gelukt.
Tot het hele einde toe.
Ik heb geluisterd.
Gedacht aan die ene keer, helemaal in het begin, toen hij 100 kilometer reed om me te troosten. Toen hij me omarmde, in zijn auto droeg en me meenam naar zijn huis. Weer honderd kilometer terug.
De avond dat hij mijn hand drukte, terwijl we beiden luisterden naar het lied dat we later in onze ringen zouden graveren …
Melig? Dat kan zijn.
Toen kon ik nog melig zijn als de beste. Met roze romantiek. Geloof in de eeuwige liefde. Overtuigd zijn van “The One” en andere onzin.
Bitter?
Yep. Dat hebt u goed gelezen.
Ik ben soms al wat bitterder.

Vandaag weer. Omdat ik besef dat verliefde mannen veel doen, als het niet alles is. Maar dat dat niet blijft.
En dus overgaat.

Heelt tijd alle wonden?
Blijkbaar wel.
Het is me gelukt.
Tot het hele einde luisterde ik naar ‘ons’ nummer.
Er kwam geen traan. Er kwam geen tsunami.
Er kwam niets meer.

Hoewel.Aan het einde: een klein sprankje angst.
Als ik hierbij niets meer voel, ben ik dan over hem?

Soms lijkt dat erger dan pijn hebben over de vergane glorie. Dan het zeer dat me uitholde. En me weer opvulde met de bitterheid.
Soms hou ik vast aan wat ik ooit voelde. Omdat zoiets nooit meer terugkomt. Omdat liefde nooit hetzelfde is. Omdat graag zien bij iemand anders anders is.
Omdat het huidige graag zien soms in het niet valt bij dat graag zien in het verleden.
Maar daarom niet minder waard is.
Dus ja … tijd heelt wonden. Of geeft ze op zijn minst een dikke korst die met wat zalf wel verzacht.
Sprak en dacht ik met zalvende woorden.
Ooit komt alles goed.

Boys will be boys

Als zangerin in een bandje vol mannen moet je je af en toe wel wat weren. Al die jaren in het bandje van (toen) manlief, leerden me hoe die dynamiek zit.
Dat is iets speciaals. Waarschijnlijk net zoals vrouwen onder elkaar.
Hoewel ik in dat laatste heel wat minder bedreven ben.

Het huidige bandje heeft een andere ontstaansgeschiedenis. Een oprichter, een bijkomende gitarist en nog eentje, een gezochte zangeres en een gevonden bassist is nog heel wat anders dan een familie-gebeuren zoals vroeger.
Deze mannen kenden elkaar tot voor kort ook niet. Net zo min als mijzelf.

Maar toen ik ze deze week bezig zag kwam er toch een herkennende glimlach op mijn gezicht.

Plots zag ik daar drie mannen, variërend van pakweg eind de dertig tot 46 jaar, strelen over de snaren van de basgitaar.
Hickory-snaren. Ze kenden dan niet meteen. Ik wel. Maar ik streelde niet.
Het is zo intiem.
Je streelt niet zomaar over iemand zijn snaren.
Je vraagt dat. Je wacht tot je toestemming krijgt. En als vrouw over iemand zijn snaren strelen is not done.

Dus ik stond erbij en ik keek ernaar.
Een scheut weemoed kwam natuurlijk weer binnen. Hej, dat verandert dus echt nooit aan mij.

Soms heb ik zin om naar hem te bellen en te vertellen hoe leuk dit bandje is. Hoe goed ze zijn, hoe goed ze mij maken.
Ik wil hem vragen of hij niet komt meespelen.
Ik mis de drummer. Ik besef hoe goed hij toen was. En dat de huidige toch nog wel wat euh … moet leren.
Ik besef wat er voor ons allemaal gebeurde toen de band werd opgedoekt.
Het was een amputatie. Met fantoompijnen. Ik ken dat wel.

Dus slikte ik even. Die krop. Door mijn keel.
En moest toen zo lachen dat mijn buik kriebelde.

Want eigenlijk is dat een belachelijk gezicht. Drie strelende mannen die vol trots en met mateloze interesse over snaren strelen.
Het is waarschijnlijk mijn ‘dirty mind’ die dat bijzonder suggestief en verbeeldingsvol vindt.
Ze zagen mijn lach niet. Ze keken en voelden maar aan die snaren.
Bij het volgende nummer moest ik moeite doen om niet te giechelen.
Ze dachten dat ik mij goed amuseerde. Of zoiets.
En dat was ook waar!
Tisplezant!
Heerlijk toch!

Jager – jaagster

Voornemens vind ik onzin. Sorry. Ik vind dat.
Bij mij blijven voornemens beperkt tot: Vanavond ruim ik mijn bureau op.
Om dan bijgevolg uren te schrijven, te surfen en heel laat boos te worden op mezelf omdat ik TOCH niet gedaan heb wat ik van mezelf moest doen.

Plannen doe ik wel. Elke donderdagavond worden de rekeningen betaald. Belangrijke telefoontjes doe ik op woensdag. Op een zaterdag alleen slaap ik uit. Die andere zaterdag foeter ik op CN (Cartoon Netwerk) en leg ik pedagogische regels op die ik als kind zelf zou verfoeien.
Ik spreek af met vriendjes en vriendinnetjes. Ik ruim op wanneer ik voel dat het nodig is. Mijn Bloem wordt regelmatig buiten gezet.
Kortom, ik leef goed.

Na de navelstaarderij van de laatste weken kreeg ik weer een sjot onder mijn kont. Gelukkig zijn is een keuze.
Ik ben niet zo goed in kappen. Geen kapster hier aan deze kant. Ik ben meer een klever.
Maar na een verhelderend gesprek kreeg ik echt wel een kap-visioen.

Hij gaat scheiden. Heel goed ken ik hem niet maar we hadden al een paar leuke koffie- en theeafspraken. Na 19 jaar zet hij er een punt achter. 19 jaar … dat vind ik een gigantisch lange tijd. Zo lang was ik nog nooit met iemand samen.
Ik kijk naar hem en zoek naar de wanhoop, het verdriet, het immens intense leed. Wat ik zie is een grote sterke man met een twinkel in zijn ogen. Ik leg mijn hand op zijn arm en knijp even troostend. Hij knipoogt.
Wat is dat toch? Het interesseert me.
Ik vraag het hem: “Ben je dan niet wanhopig? Heb je geen heimwee naar vroegere mooiere tijden?”
Hij antwoordt bevestigend: “Ja, maar het glas is altijd halfvol en er is altijd opportuniteit.”
Mijn verbazing stijgt.
Dat kan toch niet? Dat je zo luchtig over een afscheid voor het leven denkt?
Hij glimlacht bij mijn dramatiek.
“Dat is niet luchtig. Dat is realistisch. Sommige dingen gaan voorbij.”
Ik krijg een krop in mijn keel en vertel hem over mijn verdriet.
Nu is het zijn beurt om troostend mijn arm te knijpen:”Je moet kiezen. Kies voor jezelf. Kies voor je vrienden. Kies voor gelukkig zijn.”
“Wees eerlijk: smacht hij nog om jou? Nodigt hij je nog uit? Stuurt hij nog smsjes, mailtjes die niet met jullie kind te maken hebben?”
Ik moet eerlijk en aldus negatief antwoorden.
“Vwalla! Dat is het. Daar moet je mee verder. Maar je moet verder!”

Hij inspireert me. Ik wil dat ook. Zo realistisch zijn. Nuchter en kalm.
Dan lach ik mezelf uit. “Dat kunt gij helemaal niet, kieken!”
Dus verplicht ik mezelf niet om dat alles te zijn.
Maar ik zeg wel dat ik vanaf vandaag terug jaag.
Niet op mannen, maar op mezelf.
Komaan Bloem! Vooruit is de richting.

Daarom weer een oproep …
willen jullie me af en toe eens een ‘sjot’ geven?
Wanneer de navelstaarderij weer gigantische vormen aanneemt.
Wanneer u denkt: Komaaaaaaaaaan Bloem, dat schrijf je al voor de -tigste keer!

Alvast bedankt … ik brei mezelf wel een zacht kussen om de blauwe plekken te verzorgen. Want dat er gesjot gaat moeten worden, dat is een feit.

meer-dan-jarig

Mijn vingers twijfelen. Hoeveel pakjes neem ik? Zoveel als jaren.
Welke kleur? Geel, want dat is zijn lievelingskleur.
Welk taartje? Rijst, want dat eet hij het liefst.
Broccolisoep wordt het.
Met stoofvlees met het plaatselijke beroemde bier erin en gratin. Hij zal zijn duimen en vingers aflikken.
Bubbels voor de zoon. Dan kan hij mee klinken.
We kunnen samen kijken naar de nieuwe James Bond of misschien Mens-Erger-Je-Niet spelen.
Rode kerstservietten. En vlaggetjes in de keuken.

En vooral veel om door te slikken.
Zodat de krop in mijn keel zich niet laat versmelten op het moment dat ik het niet wil of onder controle heb.

Zullen we zingen? Ja, dat gaan we zeker doen.
Zullen we zoenen? Zoonlief wel en ik misschien ook wel drie.
Zullen we omhelzen? Neen, want dan moet ik toch weer janken.
Zullen we blij zijn?
Ja … want met hem samen zijn blijft fijner dan de pijn van het afscheid.

Vandaag is hij jarig. De tweede verjaardag die we niet in één huis vieren.
Maar wel samen.
Voor de zoon, zeg ik dan tegen mensen die het raar vinden of er zich vragen bij stellen.
Omdat we nog respect hebben voor elkaar. Omdat ik graag stoofvlees met Trappist maak.
Omdat ik nog wat in de diepvries had zitten.
Omdat …
Allerlei excuses.

Er is slechts één waarheid.
Omdat ik nog altijd …
Daarom.

Na twee avonden laat in bed na leuke gesprekken overgoten met de nodige witte wijn, weet ik dat een dag van introspectie en rust nodig is om mijn batterijen op te laden.
Fietsen doet de truc. Al van toen ik klein was, heb ik dat af en toe nodig.
Langzaam, traag en genietend. Dat is mijn fietsritme. Geen tour de Westmalle of een moutainbike-tempo.

Ik moet wel traag want ik kijk dan zodanig om me heen dat oplettendheid af en toe wel vereist is om te voldoen aan de veiligheidsnormen.
Aangezien ik sedert een jaar (ja, lieve mensen, ik woon al een jaar in mijn eigen huisje!) terug in mijn geboortedorp woon, fiets ik af en toe over reeds gebaande paden.
Het is heerlijk maar tegelijkertijd soms confronterend hoe ik sneller ouder word dan mijn dorp.
Veel nieuwbouw, meer speelpleinen en zelfs af en toe een vers aangelegde straat.

Maar de bomen, de weiden … ze zijn nog wat ze waren pakweg 30 jaar geleden.
Ik herinner me de bomen van de kasteeldreef. Ze werden omgehakt toen ik in het zesde leerjaar zat.
Dan keek ik uit het klasraam op de eerste verdieping en zag ik hoe die grote enorme oude eiken vielen. Op de trouwfoto van mijn ouders kan ik nog zien hoe hoog ze waren.
Mijn gedachten dwaalden dikwijls af in de klas. Mijn juf van het zesde leerjaar was zo saai dat ik eigenlijk weinig anders deed dan dagdromen. Het zien sterven van die bomen was toen indrukwekkend.
In de maand dat ik mijn Vormsel deed (mei 1982) werden er nieuwe, jongere bomen aangeplant. Het was een belachelijk zicht. Dun, schriel, iel. Geen waardige opvolgers.
De dreef bleef jaren lang leeg en groots.

Vandaag fietste ik weer in de richting van mijn oude school. Het is daar zeer idyllisch, met wijd uitgestrekte landerijen die nog steeds bezit zijn van de ondertussen verarmde adelijke familie die in de conciergewoning van hun kasteel woont. Je kan er goed ‘wolken zien’. Ik hou van leegte, vergezichten. Een boswandeling is minder aan me besteed dan een strandwandeling. Het nietige gevoel dat je krijgt bij het aanschouwen van iets dat eeuwen trotseert … het maakt me klein maar tevens ook zeer gelukkig.

Er is een ander soort stilte. Geen stilte die me duidelijk maakt dat mijn oren ondertussen nog harder suizen dan ooit. Maar een stilte die me vult.
Op het kerkhof (dat ook altijd een vast onderdeel van mijn fietstochten was en is) zag ik een klein blauw vogeltje waarvan ik zelfs wist dat het een koolmees is. Mijn ritme vertraagde en ik keek. Voor ik het wist werd het een hele zwerm die vol genoegen een gesprek voerde zonder op mij te letten.

Toen ik me omdraaide zag ik de dreef met haar bomen. Ze waren groter. Een heel stuk groter dan toen ik ze geplant zag worden, sedert dit jaar dertig jaar geleden. Nadat ik nog wat beter keek, merkte ik dat al die landerijen en bomen en weiden en natuur ook verouderd waren. Een beetje (veel) minder dan ik. Maar toch …

Ontroering sprong in mijn ogen. De immensiteit ervan greep me bij de keel.
Hier ben ik dan.
Dertig jaar later en het lijkt alsof ik terug bij af ben. Weer bij ‘Start’.
Toch voelt het jasje nu anders.
Ik ben ouder. Een beetje wijzer.
Maar oneindig veel gelukkiger dan toen.
Dikwijls huil ik nog wel eens. Omdat ik me mislukt voel. Omdat ik hem mis.
Maar de frequentie ervan neemt af en omdat ik mijn eigen strengste rechter ben, kan ik er ook voor kiezen om mild te zijn.
Dus ik mild mezelf.
En fiets verder.
Dag verleden!

Soms valt alles op zijn plaats. Zoals schoenen in de schoenenkast, facturen in de juiste kaft, sleutels op de juiste plaats en mensen in het vakje dat past.
Niet dat ik graag vakjes maak … zeker niet voor mensen. Maar ik leerde dat enige rationele rangschikking bevorderlijk is voor hart- en bloedvaten.
Voor de goede gang van zaken is het een schitterend idee dat je weet tegen wie je “Voor schild en vriend” moet zeggen, waarbij je dan op voorhand weet wie het Frans geaccentueerde antwoord zal geven.

Terwijl ik me daar de vorige jaren danig in kon vergissen, weet ik hoe langer hoe beter wie er de Liebaard/Klauwaards zijn. Ik stel vragen, maak opmerkingen, zoek naar een antwoord en ik krijg telkens de goede mensen als gesprekpartners. ‘Goed’ als in respectvol, hulpvaardig, eerlijk en oprecht. Klinkt het als BZN-mensen? Wat lieverig, melig en te teder?
Maak je niet ongerust, dat zijn ze niet. Ze zeggen soms dingen die ik niet graag hoor, die ik liever vermijd. Ik word af en toe gedwongen om naar mezelf te kijken op een manier die niet meteen mijn favoriete is. Ik zie mezelf wat naakter en bloter dan ik zou willen.
Dat is eng, bangelijk, …
Net als de meesten onder u en ons toon ik me het liefst van mijn beste kant. Mijn ervaring is dat sommigen onder hen misbruik maken van het gegeven vertrouwen of de toevertrouwde hartgevoelige informatie. Dat soort mensen dat nu niet meteen het beste voorheeft met uw slechtste of meest gevoelige kant. Een mens wil dat het liefst niet op zijn weg hebben.
It is now so …, zeg ik dan. Ietwat berustend na de woelige woede of de triestige tristesse om leugens en bedrog …
Sommige mensen zijn uw verdriet niet waard.
Terwijl me dat eigenlijk nog maar 1 keer echt overkwam (Een leliaard die er op uit is om alles en iedereen rondom u te veroveren en daarmee ten strijde te trekken tegen uw geluk). Mijn innerlijke strijd daaromtrent is gestreden.
Sommige mensen tonen zich ook niet van hun beste kant.

Vandaar dat ik blij ben met de levensles, dankbaar voor de overwinningen die ik ook daar boekte.
Het leven is geen feest, geen happy ever after-festijn maar soms kan een mens zich zo zeker weten van zijn zaak dat het aldus grenst aan de euforie.

Ik vertelde het u al dikwijls: dat ik zo blij ben met de vriendjes, met de vriendschap en de liefde die ik krijg, met de veiligheid die goeie mensen me bieden.
Mag ik het toch nog een zoveelste keertje herhalen? Ik heb geluk, chance, mazzel, meeval, voorspoed en elk synoniem dat daaraan gelijk staat. Bijna alle mensen die ik wilde behouden na de scheiding, zijn nog in mijn leven. Er is enkel een voor en na wat Hem betreft. En dan nog … hij betekent alles wat hij nu nog kan betekenen.
Het is goed zo. Goed.
It is now so …
Voor schild en vriend!

Prachtig bevreemdend.

Al jaren lees ik hem/haar.

Nozap.

Geen persoonlijke dingen bloggen, slechts prachtige, unieke, rare, bevreemdende, heerlijke vimeo-filmpjes.

Ze ontroeren me, doen me lachen maar meestal slaan ze erin als een mokerslag. Mijn buik, dat is.

Tenenkrullende herkenning bij deze.

Een vrouw. Eenzaam. Verlangend. Eenzaam.

Ze praat. Tegen niemand lijkt het wel. Ze praat luidop met een trage temende stem. Je ziet hoe ze zoekende is. Naar wat warmte. Wat zuiverheid.

De leegte overvalt haar. Ze lijkt gek te worden.

Wanneer ze het hoofd van haar leerling streelt, voel je haar wanhoop. Zo zoekende dat ze gekke, foute dingen doet.

En dat alles om de aandacht te trekken van 1 man.

De parallellen mogen niet te ver doorgetrokken worden … maar mijn hart ging naar haar uit.

MOUNTAIN from martin de thurah on Vimeo.

Ik kijk opzij. Zijn ellebogen op het bureaublad, zijn blik gefixeerd op het scherm. Hij wrijft driemaal over zijn baard en wijst dan naar de boodschap die de nieuwe Mac ons geeft.
Zijn stem is wat heser dan anders. Hij praat tegen me maar ik hoor niet echt wat Hij zegt. Ik bekijk zijn profiel, de neus, zijn kin die zo typisch Hem zijn.
Ik knik en ik glimlach, blij dat hij me helpt.
Zoonlief springt er regelmatig tussen met knuffels en enthousiaste kreten.
Voor hem is dit een festijn.

Als het na anderhalf uur en twee koffies duidelijk wordt dat het wat duidelijk is, staat hij op. Hij trekt zijn trui naar beneden zoals altijd wanneer hij gezeten heeft en wrijft nog eens driemaal over zijn kin.

Het is me allemaal zo vertrouwd. Ik klem mijn handen in elkaar opdat ik Hem niet zou aanraken. Het lijkt vanzelfsprekend dat ik hem kus en knuffel zoals altijd wanneer Hij me hielp. Maar ik doe het niet. Ik sta stokstijf stil en wacht tot Hij me een vluchtige kus op mijn wang geeft.
Ik ruik hem. Zijn geur is nieuw, anders, minder van mij, van ons.

Ik slik en slik. Ik ga NIET huilen waar hij bij is.
Na het afscheid van zoonlief gaat hij naar beneden en stapt hij op zijn typische manier in de richting van de achterdeur.
Ik zeg dat hij bedankt is, dat het fijn is dat ik bij hem terechtkon.
Hij lacht wat afwezig en stapt weg.
Zo gauw hij de hoek om is, draai ik me om en duw ik de krop in mijn keel naar beneden.
Met mijn handen op de keukenstoel leg ik mijn kin tegen mijn borst en snik ik het uit.
Bittere tranen vinden hun weg over mijn gezicht. Ik kreun en huil, ingehouden maar toch hoorbaar.

Anderhalf uur in zijn aanwezigheid en ik voel me weer net als vroeger.
Klein, nietig en zo verlangend naar zijn warmte en omhelzing.
Ik mis hem wel, ik mis hem niet, ik mis hem wel, ik mis hem niet, ik mis hem …