Zondagochtend latere jaren zeventig… Ik ben klein. Nog zeer klein. Mijn ouders en zus zijn in de keuken, de woonkamer is voor mij alleen. De gloednieuwe stereotoren staat aan. Van die blauwe balkjes gaan omhoog en omlaag. Dat is wel cool.

Lutgard Simoens of Jos Geysen of Wiet van Broekhoven praten. Dat begrijp ik nog niet helemaal. Maar dan komt er muziek.

Het begin is zacht en traag. Het aanzwellen van de violen en de muziek doen iets bewegen in mijn kleine lijfje. Ergens ter hoogte van mijn hart of mijn buik …

Wanneer de man begint te zingen, roert het zich in mijn keel. De tekst is simpel … die ene zin zegt het allemaal. De zachtheid verandert in kracht en euforie. Het koor dat invalt op het einde van het nummer doet langzaam een traan stromen uit mijn linkerooghoek. Ik schrik. Is het mogelijk dat je kan huilen van muziek? Terwijl je niet droevig of bang bent? Een beetje verlegen veeg ik hem weg. De deur van de keuken staat open. Mijn ouders en zus praten en lachen. Ik doe ze heel stilletjes dicht en hoop dat er niemand komt. Dit moment is van mij alleen. Heel bijzonder. Het voelt als thuiskomen. Als mezelf worden.

Dat was mijn eerste keer.

En toen kwam Jonathan Livingston Seagull …

Wat was jouw eerste keer?

Een beetje grimmig draai ik mijn wagen achter het huis. Zoonlief treuzelde weer en nu zijn we te laat om hem naar zijn vader te brengen.

Dat is sowieso niet het beste moment van mijn week. Hem afzetten na al die jaren blijft pijn doen. Meestal voorzie ik een leuke activiteit na de drop. Dat klinkt cooler dan het is.

Afijn …

Ik beloofde zijn grootouders/mijn ouders dat we komen zwaaien want live contact is  coronagewijs even on hold gezet. Ik maak me wel wat zorgen. Ze zijn 74 en 75 en volgens welingelichte bronnen een risicogroep. Met zijn twee ben je al een groepje. En de mijne tellen dubbel.

Lang leve sociale media, smartphones en apps.

Ik stop de wagen ter hoogte van het woonkamerraam. Terwijl ze ons zien arriveren, vliegen ze recht en houden ze twee papieren tegen het raam. Het duurt even voor we zien wat er op staat …

Een groot rood hart met de naam van zoonlief erin en de woorden ‘dikke zoenen’. Ze wuiven en het ziet er zo grappig uit dat we beiden heel hard in de lach schieten. De tranen lopen over onze wangen en ons plezier doet hen ook schateren.

Mijn ouders … Soms goed gek.

Nu weet ik trouwens waar ik het vandaan heb!

An elegant affair

Moest ik geloven in vorige levens, dan weet ik heel zeker wat ik ooit was, geweest ben…

Mijn dagen waren gevuld met traag en elegant voortschrijden in een lange smalle zwarte jurk met een kanten sjaal of een boa tot aan mijn knieën. Ik zou een sigarettenpijpje in mijn gehandschoende hand houden (zonder te roken, natuurlijk, want dat is vies). Ik zou naar een concert van Catherine Russell of Nina Simone gaan met een grote donkere man in kostuum met prachtige puntschoenen.

We zouden champagne drinken uit een champagnecoupe met een gouden randje. Of van kristal. Hij zou zich voorover buigen om de karmijnrode gestoffeerde stoel voor me klaar te zetten. Met een zachte zucht zou ik me neerzetten en even mijn roodgestifte lippen richting zijn wang bewegen. Mijn haar was in een grote chiffon gedraaid zijn en daarin steekt dan een glinsterende paarlen haarklem. Mijn zwarte lange oorbellen komen bijna op schouderhoogte en tinkelen bij elke beweging ik maak.

Het leven zou bestaan uit sublieme blazersecties en Frank Sinatra. Er zijn films over tapdansende mooie mensen die pas op het einde hartstochtelijk kussen met zijn hand tussen haar schouders terwijl hij haar zachtjes achterover laat vallen en met zijn andere arm net een beetje tegenhoudt.

Ja, dat zou mijn vorig leven zijn.

Heden ten dage zou ik waarschijnlijk struikelen over de sleep van dat kleed. Er is geen grote donkere man en hij heeft al helemaal geen mooie schoenen aan. Ik zou absoluut achterover vallen op mijn billen moest ik een hartstochtelijke kus krijgen. En dat hoesten van die kringelende rook van die vieze sigaret zou heel onelegant en absoluut niet sierlijk klinken.

Yep … dat is mijn huidige leven.

Gelukkig kan ik er hartelijk om lachen. En ondertussen heerlijk genieten van de spotify-lijst ‘ An elegant affair’ … Spotify dat maar eens. En geniet!

Wie denkt gij wel dat ge zijt?

Welk beeld heb jij van jezelf? Ik denk dat ik een rare ben. Een zonderling met kluizenaarsgenen. Ook iemand die graag opvalt. Provoceert. Uitdaagt. En bijgevolg klappen krijgt en daar dan stuk van gaat. Wat niet juist is, volgens anderen. Conflictvermijdend is een etiket dat ik regelmatig opgekleefd krijg.

Ik voelde me niet zo geliefd. Dat kwam deels door de mensen rondom mij. Die me wilden veranderen op een manier die dikwijls nogal hardhandig was. Lieven die onverschillig waren, of agressief of ook wel een beetje gek. Maar dat komt natuurlijk ook door mezelf. Mijn ruggegraat is herniagewijs niet van de stevigste … Het zorgde voor depressies en ergere zaken …

De laatste maanden stel ik dat zelfbeeld wat bij. Goh … de laatste jaren misschien al maar toch …

Ik schrik van de berichtjes die ik krijg wanneer ik een ingreep moet ondergaan. Een aantal van de mij omringende mensen zagen me toen ik de diagnose kreeg. Voor het eerst in jaren heb ik gehuild waar ze bij waren. Er was een moment van schaamte maar toen mijn baas me in haar armen nam en me over mijn rug streelde, kwam er een zeldzaam gevoel van verbinding boven.

Lieve mensen sturen me ‘good luck’ en ‘hoe ging het’. Er is zelfs een heerlijke vriendin die twee uur wachttijd komt overbabbelen. Terwijl ik in mijn operatiehemdje lig te wachten. Er is spaghetti wanneer ik in een gepoetst huis thuiskom. En de dag nadien springt mijn gsm bijna uit elkaar van alle lieve ‘hoewashet’ ‘hoegaathet’ ‘kanikwatdoen’ vragen …

Er besluipt me een huizenhoog clichématig, opendeurintrappend inzicht …

Door mezelf te zijn is er meer verbinding dan daarvoor. Ja, dat bedenk ik me nu …

En daar is dan het grote bondzondernaamachtiggevoel … Yep. Dat is het!

 

 

Een vriend zien huilen kan ik niet …

Het voelt schattig aan. Als een klein meisje bijna zit ik tussen hen beiden in. We kijken naar Bart. BH zoals de vriend hem lachend omschrijft. We voelen. We denken. Tijdens de pauze drinken we iets en praten we over andere dingen die ook besproken moeten worden.

Vanzelfsprekend nemen ze telkens plaats aan mijn zijde. Zij links, hij rechts of andersom. Ze praten met me en met elkaar langs me heen. Hun éénheid omarmt me. De herinnering aan ons gezamenlijk uitje van vorig jaar kleurt ook deze ervaring weer rozerood. Voor hen is het de meest normale zaak ter wereld om bij me te zijn op valentijnsavond. Terwijl ze zelf nog pril zijn …. en romantiek op deze gecommercialiseerde avond voor hen waarschijnlijk nog waardevol is … Toch zit ik tussen hen in.

Ze zien me graag. Dat voel ik. Dat hoeven ze niet te zeggen. Ik voel me gedragen. Ik ben geen vijfde wiel aan de wagen. Wat trouwens best moeilijk is wanneer je slechts met zijn drieën bent.

Het huizenhoge cliché is waarheid: in nood kent men zijn vrienden.

 

Daag dag, dag!

 

 

Terwijl Dennis mijn haren omhoog trekt en me letterlijk naar alle kanten duwt, groeit het besef dat 2020 tot nu alleen maar afscheid is geweest. Dat begon met het overlijden van de kat en ging over in ‘dag’ zeggen in de puurste vorm.

Dag aan de mama van mijn lieve vriendin. Een uitzonderlijke vrouw met vele aspecten. Een voorbeeld voor alleenstaande, werkende moeders onder ons.

Dag aan het vroegere lagere-schoolklasgenootje. Ze streed al vijf jaar tegen die vreselijke K…- ziekte. (Dat mag ingevuld worden met Klote en Kanker …)

Dag aan een aangeboden project waarop ik niet kan ingaan omdat ik geen ondersteuning heb van belangrijke mensen die essentieel zijn voor het welslagen ervan.

Dag aan facetten van mezelf die al lang uitgepuurd en bekeken zijn.

En dat laatste is positief.

Ik bevind me wel graag in het oog van de storm. Mijn spontane glimlach en het hart-sprongetje zijn signaal van iets dat uit mijn onderbuik komt. Wanneer ik me op de wind leg en stevig doorstap kruipt het victorie-gevoel onbevangen richting hart en ziel. Als Dennis bepaalt dat ik de wind langs achteren krijg, leun ik wat achterover en laat ik me duwen tot ik kom waar ik wil zijn.

Het bos dat volgt op mijn wandeling lijkt een weergave van wat binnenin leeft. Het is er stil. Enkel wanneer ik omhoog kijk, zie ik woest bewegende toppen.

Er staan omgevallen of scheefstaande bomen, er is een kapotte prikkeldraad die zich bevindt rond een domein waarvan de eigenaar dacht dat hij het moest beschermen tegen alles wat zou kunnen binnendringen.

Net zoals ik dat af en toe doe. Wat prikkeldraad opgooien om de weke en kwetsbare binnenkant ogenschijnlijk te beschermen.

Al dat afscheid dat ik al nam, is definitief wat sommigen betreft en twijfelachtig in zijn omvang. Het doet me beven en trillen …. als een aan de storm onderhevige oude eik. De kleine takjes worden afgerukt en de bladeren ritselen met een luid volume.

Geef me maar de storm. Dan voel ik dat ik leef. Het binnenin stil-zijn en -maken is kwetsbaar heerlijk.

Bij mij is het altijd de stilte na de storm…

 

She used to be mine …

It’s not simple to say
Most days I don’t recognize me
That these shoes and this apron
That place and its patrons
Have taken more than I gave them
It’s not easy to know
I’m not anything like I used to be
Although it’s true
I was never attention’s sweet center
I still remember that girl

She’s imperfect but she tries
She is good but she lies
She is hard on herself
She is broken and won’t ask for help
She is messy but she’s kind
She is lonely most of the time
She is all of this mixed up
And baked in a beautiful pie
She is gone but she used to be mine

It’s not what I asked for
Sometimes life just slips in through a back door
And carves out a person
And makes you believe it’s all true
And now I’ve got you
And you’re not what I asked for
If I’m honest I know I would give it all back
For a chance to start over
And rewrite an ending or two
For the girl that I knew

Who’ll be reckless just enough
Who’ll get hurt
But who learns how to toughen up when she’s bruised
And gets used by a man who can’t love
And then she’ll get stuck
And be scared of the life that’s inside her
Growing stronger each day
‘Til it finally reminds her
To fight just a little
To bring back the fire in her eyes
That’s been gone but used to be mine

Used to be mine
She is messy but she’s kind
She is lonely most of the time
She is all of this mixed up and baked in a beautiful pie
She is gone but she used to be mine