Te laat? Te vroeg? Net op tijd …

Vandaag denk ik daar weer even aan. Aan dingen die ongezegd bleven of die sudderen diep in de onderbuik. Mijn papa en ik wonen in twee universums, soms heel ver weg van elkaar. En toch, en toch …

Het is in een terloopse opmerking dat ik merk hoe dicht we zijn gekomen. Hoeveel we van elkaar houden. Hoe hard we allebei ons best doen om de andere te begrijpen.

Op een zonnige dag komt een vriendin me oppikken. Ze bewondert even het metselwerk dat mijn vader deed in de voortuin. Ik bespaar u de dirty details maar het komt er op neer dat ik een prachtige opbouw kreeg waardoor mijn septische put vanaf nu steeds makkelijk bereikbaar is. (Die had je niet zien komen, hee!)

Ze lacht hartelijk na mijn opmerking: “En weet je wat ik zelf zo fantastisch vind? Hij slaagde erin om een prachtig knalgroen deksel te vinden voor mij. Dat past prachtig bij mijn villa Kakelbont.”

Ik situeer: mijn papa bouwde voor mij een prachtig huis ergens in de jaren negentig, verbouwde een ander prachtig huis ergens in de nillies en knapte mijn huidige twee-onder-één-dak met alle liefde op. Want dat is liefde bij hem. Als hij kan metsen, schilderen, poetsen, gras-afrijden toont hij hoeveel hij van me houdt. Ik zag dat niet altijd. Ik was er eentje van de diepe gesprekken, van de zware ‘watisdezinvanhetleven’-conversatie.

Wat botsten wij hevig. Als je niet dezelfde taal spreekt, is het moeilijk praten. Hoe vind je dan de weg naar elkaar? Het ging gepaard met hoogoplopende discussies (tijdens mijn puberteit), veel zwijgen en slikken (nadien). Mijn vader lijkt een gewone man. Niet opvallen, niet onnozel doen, niet te veel uit de band springen is zijn devies.

Tja, u raadt het al. Laat het nou nét dat zijn wat ik met regelmaat frequenteer. In mijn huis heeft geen enkele deur dezelfde kleur aan beide kanten. Mijn woonkamer is bont, mijn slaapkamer is bont, mijn keuken is rood. Rood is de kleur die overheerst in mijn Villa K. Mijn vader houdt van blauw en groen. In zachte tinten. Universums, zoals ik zei…

Het is prachtig hoe hij na al die jaren respect toont voor wat ik denk en wat ik wil. Zonder al te veel morren laat hij mijn gras groeien. Het grapje dat ik de enige ben in de straat en bijgevolg dus weer opval neem ik er bij. Want ook ikzelf leerde hem lezen.

We zitten dicht op elkaar. Mijn familie en ik. We zeggen ongezouten onze mening, we tranen wanneer er iets triestig is op tv, we snoeren elkaar de mond wanneer we overtuigd zijn van ons gelijk. We zijn e.m.o.t.i.o.n.e.e.l.. In het kwadraat der kwadraten.

Dat was niet altijd gemakkelijk. Zeker wat mijn papa en mezelf betreft.

De laatste jaren geniet ik van het glas wijn dat we met zijn tweetjes op het terras drinken na zijn noeste arbeid. Ik luister dan naar hem en stel vragen. Diepe vragen, ja … hej, ik blijf nog altijd wie ik ben. Hij luistert en geeft opmerkingen vanuit zijn gezond boerenverstand. En we vinden mekaar. We lijken harder op mekaar dan we willen toegeven. Maar dat is weer een ander liedje.

En o ja … een knalgroen deksel voor op een septische put bestaat helemaal niet. Die deksels zijn altijd grijs of zwart. Mijn papa schilderde het speciaal voor mij in een knalkleur. En dat is pure liefde voor een man die niet van knal houdt.

Ik heb de beste papa van de hele wereld. Vandaag wordt hij 76. En dat vieren we. Met een K.N.A.L.-feestje. Want daar houdt ie wel van. Gelukkige verjaardag, papa!

Je weet in het leven al snel dat het glas van een kachel erg warm kan zijn als het vuur brandt. Dat je bij het rolschaatsen hard kan vallen en je dus best kniebeschermers aandoet. Dat studeren voor een examen beter is dan niet studeren. Dat mensen die roddelen niet jouw genre zijn.

Sommige levenslessen zijn eenvoudig en begrijpelijk. Je leert ze wel. Zeker wanneer je erg gekwetst wordt en je dat goed onthoudt. Want dat wil je nooit nog voelen.

Waarom is het dan dat ik één les nooit leer? Of misschien wel niet zal leren?

Elke keer werp ik me tegen de muur en loop ik me te pletter. Ook al lijkt de muur anders. Liever en zachter. Minder ego meer eco. Wat wolliger en veiliger.

Bij elke inslag besef ik het weer: Aha, deze muur was net dezelfde als de vorige. De stenen doen even intens pijn, de voegen zitten vol gruis en jarenoud stof. Ik blaas eerst een beetje en leef dan op goede hoop maar toch … Uiteindelijk zal de bots me weer raken tot in mijn maag. Mijn tanden klapperen en mijn hart suist in mijn oren. Het bonst alsof het bang is stil te vallen. En dat doet het ook …

‘s Nachts. Wanneer de gedachten als dementors boven mijn hoofd vliegen. Wanneer de zuurtegraad stijgt en je alleen nog maar spijt zweet. Ik draai. Ik keer. Al draaiend keer ik. De rollen om.

De muur schrijf ik af. Eerst nog wat graffiti om een indruk na te laten en dan keer ik weer.

Ik wil geen muur meer. Ik heb geen muur nodig. Een leuke muur was fijn geweest maar na al die jaren al die muren hoeft het niet meer. Dat iemand anders zich maar te pletter gooit tegen die muur. A Brick Wall! Mighty mighty … maar ook dat is weer een ander liedje.

Ik neem genoegen met het dak. Want een dak boven je hoofd is het ultieme levensdoel.

Ja, ik weet het … bij de meesten wordt dat dak ondersteund door muren. Maar wil je wel geloven dat ik in staat ben om het alleen met het dak te doen? Mijn fundament reikt ondertussen naar ongekende hoogtes. En af en toe mag het dak er wel eens af. Hoewel dat meestal gebeurt als ik een muur ontmoet. Au!

Mijneigennaainilevven.

19 jaar geleden stonden we in de Ikea te Antwerpen. Aan de winkelkarretjes kregen we telefoon van het ziekenhuis. Zoonlief was in de maak. Huilend van vreugde reden we naar mijn ouders om een fles champagne te kraken. Ik dronk plat water.

Dit jaar stond ik op 9/11 met zoonlief in de Ikea te Antwerpen,. We maakten een foto aan de winkelkarretjes. Als in: negentien jaren later. We hadden bijna de winkel leeggekocht. Met spullen voor zijn kot en een nepplant. Omdat moeder iris dat wel grappig vond. Ik vertelde het verhaal van het telefoontje.

Hij lachte wat meewarig. Ik stond enthousiast te selfiën. De foto stuurde ik door naar mijn ouders die een antwoord met een virtuele fles champagne gaven

Het was een heerlijke dag. Mijn zoon wordt helemaal volwassen. Een prachtkerel is hij!

Mah … zo schoon

Ze valt me meteen op wanneer ik een karretje bij de nieuwe Colruyt kies. Die Colruyt is enkel voor mij (oud) nieuw(s). Ik winkelde er tien jaar zo’n tien jaar geleden. Mijn eigen vertrouwde winkel wordt verbouwd dus ik moet een dorp verderop mijn gading zoeken.

Een oudercontact tussen de soep en de diepvriesgroenten is mogelijk dus ik ‘scan’ mijn omgeving grondig. Ik heb niet zo veel zin in contact. Niet wanneer ik het risico loop te veel chocolade en chips te kopen. Een juf die bijzonder ongezond eet is niet meteen een voorbeeld, nietwaar?

Wat lusteloos loop ik naar winkelkarretjes. Ze staat er vlak naast en laadt de koffer in. Gezond eten, dat zie ik aan haar benen. Mooi, goedgevormd, sportief. Haar t-shirt verraadt een mooi figuur, haar bruine haren frisgewassen. Ze draagt een satijnen groen rokje dat wat wappert door het zachte briesje dat de temperatuur wat warmer maakt.

Ik glimlach achter mijn mondmasker. Mijn ikhebgeenzininoudertactgevoel verdwijnt als sneeuw voor de zon. Zou ik dat zeggen? Misschien vindt ze dat wel raar of onnozel. Mijn gedachten strijden even. De gekke iris wint.

Ik kijk haar aan en zie aan haar ogen dat ze ouder is dan ikzelf. Ze glimlacht en knikt.

Dan waag ik het …

” Mevrouw, ik vind uw rok enorm mooi. Ik word er helemaal goedgezind van.”

Ze is verrast. Aarzelt even met haar antwoord. Dan zegt ze: “Dank u wel. Ik ben er zelf ook zot van.”

Ik knik lachend en wandel verder. Ze roept me nog achterna. ” Dank u wel. Dat is zo lief van u om dat te zeggen.”

Daar weet ik dan weer geen repliek op. Goede en mooie dingen mogen gezegd worden.

Neen … die moeten gezegd zijn.

Twee goedgezinde vrouwen aan de Colruyt. Daar teken ik voor.

Tja …

Wij zouden het anders doen.

We zouden warmer zijn.

We zouden groter en beter zijn.

Grootser en goed zijn.

Warm zijn.

Mild zijn.

Zachter en zachtst.

Respect vol. Vol respect.

Wat beteuterd sta ik hier met pek en veren.

Weggedragen uit het dorp der bitterheid.

Het dorp van wrok en venijn.

Van gif en onverwerktheid.

Mijn glimlach vormt zich en blaast alle blaam weg.

Zorgt voor honing tegen zuurte.

Voor adem tegen verstikking.

Meer dan ooit een feniks.

Meer dan ooit sterk mezelf.

De strijd is gestreden. De arena is leeg. Het applaus is voor mij.

Uiteindelijk is het altijd liefde

zelfs wanneer haat en verdriet een kruising maken ergens in de tijd die ons ontglipte.

Uiteindelijke overwint de glimlach,

kies je voor het mooie en het fijne.

Uiteindelijk weegt het begrip en de uitgestoken hand het zwaarst.

Want liefde overwint alles,

zelfs dat wat onuitgesproken tussen ons in staat.

zelfs dat wat sneed en littekens groef in dat wankele hart van ons.

Uiteindelijk weten wij beiden de waarheid.

En dat is liefde.

Voor altijd.

De jaren zestig enzo …

De zon schijnt. De autoramen blinken en zijn neergelaten. Ik rijd aan een gezapig tempo achter een tuinder die richting composthoop gaat. Dat weet ik omdat de blaadjes van de beukenhaag die hij snoeide als vlinders tegen mijn voorruit vliegen. Tot op mijn passagierszetel.

En plots komt Harry Nilsson voorbij.

De zon schittert door de wuivende bladeren. Af en toe ben ik een beetje verblind en daardoor lijken de bladeren wel bloesems. Het voelt als een Franse of Italiaanse film uit de jaren stillekes. Alsof je op een scooter zit achterop bij je vakantielief. Met je armen om zijn strakke buik en je hoofd tegen zijn brede rug. De bloesems regenen door de zonnestralen. Het is zomer en het leven is zorgeloos.

Of wat zo’n jaren-60nummer met een mens doet 🙂

Goed gezin(d)

De avond valt in Hout Bay. Ik kijk door de ramen naar het prachtige zicht. De bergen verdwijnen in de duisternis. De lichtjes rond het strand schitteren en geven een warme gloed. Achter me wordt er gekookt in de gezellige keuken in het mooie huis van mijn lieve vriendjes.

Na veertien dagen vertoeven in een warm gezin, voel ik me gehecht en geborgen. Wat mis ik zoonlief. Zo’n 9000 km verderop zit hij waarschijnlijk achter zijn computer of aan zijn nieuwe tekentablet. Even sijpelt het gemis loodzwaar binnen.

Het gezin staat te lachen aan het fornuis en danst even samen heel gek op een hip liedje dat de plaatselijke tieners best leuk vinden. De warmte sluipt in mijn hart. Wat lijkt me dat heerlijk: mama, papa, dochters, zoon … de verbondenheid en de lol die ze samen voelen.

Ik stel me voor dat zoonlief en zijn vader hier bij mij zouden zijn. Niet verziekt door de scheiding maar als een gezin. Dat is het enige dat ik mis en waarvan ik twijfel of ik zoonlief niets ontnam in zijn toekomst. Terwijl ik blij en gelukkig ben zonder de ex, mis ik het gezin-zijn wel erg. Het samen lachen, het samen gek doen, het samen praten en knuffelen. En ook wel het kibbelen en het verontwaardigd-zijn.

Er is veel liefde in dit huis. En dat kan ik zoonlief niet meer geven. Of toch niet als gezin.

En ja, ik weet wel dat ik het best goed doe. Dat waarheid en oprechtheid altijd waardevoller zijn dan agressie of angst. Ik weet het wel.

Ik ervaar wat een gezin kan zijn. Hier in Zuid-Afrika. Het lijkt me heerlijk om zoonlief bij me te hebben. Om hem de neushoorns en de walvissen te laten zien. Om met hem te dansen in de keuken en grapjes te maken bij het ontbijt.

Morgen vertrek ik. Het was een mooie reis. Veel indrukken, veel nieuwe ervaringen. Het deed me deugd.

Maar het meest verlang ik naar een knuffel van mijn stoere achttienjarige. Een klemmende houdgreep met een zoen ergens op mijn hoofd. Mijn moederhart moet weer gevuld. Morgen …

En dan is Zuid-Afrika prachtig en mooi. Koud en warm tegelijk. Het ene het weer. Het andere de mensen.

Ik heb het fijn. Heel fijn.

#ikkanda #ikdurfda

” Jij durft!” Ze zegt het bewonderend en ook wat aarzelend. Ik zwijg even. Durven? Is het een kwestie van durven?

Haar opmerking zindert nog dagen na.

Ik vind mezelf geen durver. Dikwijls blijf ik veel te lang hangen in iets waar ik me niet goed bij voel. Gewoon, omdat weggaan of veranderen eng is en veel inspanning vraagt. Omdat wat je kent nog altijd veiliger lijkt dan het onbekende. Omdat ik leerde dat een hoofd boven het maaiveld dikwijls geoogst wordt door mensen die het minder goed met je menen.

Het komt dus regelmatig voor dat ik een ‘sitting duck’ ben. Wie me niet ziet, kan me niet raken. Wie me niet hoort, kan me niet kwetsen. Wie me niet voelt, kan me niet breken.

Neen … geen durver dus.

Vandaar dat ik schrik wanneer mensen me avontuurlijk vinden. Stiekem lach ik en schud ik meewarig het hoofd. Nee joh, ik ben zo doorsnee als het maar wezen kan.

Ooit was ik een barricade-mens. Dankzij mijn grote voorbeeld werd ik op mijn elfde lid van Amnesty International. Ik kocht kaften en t-shirts van Greenpeace. (Ok, ook van Doe Maar, mah ach :P) Het eindwerk in het zesde jaar secundair ging over de Perestroika van Gorbatsjov. Dat in de normaalschool ging over 30 jaar AI waarbij we een heel hoofdstuk wijdden aan Nelson Mandela. Een groot thema over Zuid-Afrika deed me dromen om ooit te gaan kijken waar Nelson Mandela zijn kracht haalde. De muziek van Tracy Chapman, Peter Gabriel, Sting kon me bij de keel grijpen en deden het missionarisgehalte in me stijgen tot ongekende hoogten. Als ik puber was geweest in huidige tijden, had ik elke donderdag gaan betogen tegen de klimaatverandering en had ik verzoekschriften geschreven wat vluchtelingen betreft. A do-gooder met weinig bravoure maar met goede bedoelingen. Vandaar mijn ‘uitstap’ in 2007 en 2010 naar een mensenrechtenorganisatie om onderwijspakketten te ontwikkelen rond kinderrechten.

Het blijft er in zitten maar dieper verborgen dan vroeger. De opkomst van het rechtse doet me wat krimpen in deze tijden.

En dan krijg je plots de kans om naar Robbeneiland te gaan. Intecht. Om daar rond te lopen en stil te worden.

Want het is niet omdat ik zelf niet veel durf dat ik geen vrienden heb die wel durvers zijn. Ik heb er nogal heel wat van dat genre.

Met je hele gezin verkassen naar Zuid-Afrika …. dat vind ik ECHT durven. Daar gaan wonen en werken en zo terecht komen in een onbekende maar zeer mooie wereld. Het geluk spat van de foto’s die ze stuurt. En ik heb ook geluk.

Ik mag namelijk naar Zuid-Afrika vertrekken. Morgen is het zover. Dan reis ik naar Schiphol en zo naar Frankfurt en zo naar Kaapstad.

Ik zal bijna 24 uur onderweg zijn. Alleen, op mijn eentje. Uitkijken naar welke gate ik moet vinden. Opletten dat ik al mijn spullen bijheb. Dat ik de juiste documenten kan tonen. Dat het resultaat van de test op tijd binnen is. Dat ik een briefje heb voor mijn medicijnen. Dat ik warme kleren meeneem want in Zuid-Afrika is het vandaag 11 graden. Dat ik niet ziek word in het vliegtuig. (6 uur naar Boston leerden me in 2015 dat ik ontzettend ontzettend ontzettend ziek word wanneer ik boven de 10000 m zit/hang/lig en vooral ‘kots’ )

Door mijn niet-durvergehalte bibber ik al bij voorbaat. Ik ben nerveus en lig met een migraine-aanval op de zetel te sakkeren dat ik mijn koffer nog moet maken. Dat ik nog langs de mama en papa van vriendin langsmoet om iets op te pikken voor haar jongste. Dat mijn printer stuk is en ik bijgevolg de documenten niet kan afprinten. En dat ik bang ben. Zo bang. Wat als ik de foute vlucht neem? Wat als mijn testresultaat niet op tijd binnen is? Wat als mijn bankkaart niet werkt? Wat als ik de weg kwijtraak? En wat als ik neerstort? Of in de brousse terechtkom? Wat als ik zoonlief nooit meer zie omdat moederlief zonodig avontuurlijk moest zijn en zich weer in iets stort waarvan ze het einde weer niet voorzag?

U ziet het: ik ben geen durver. Ik ben een bangerik, een angsthaas, een broekschijter, een lafaard.

En toch, en toch …

ik ga het doen. Wat spring ik weer! Hoog en laag! Ikkanda! Ikdurfda!

Brand je een kaarsje? Eentje van 24 uur? Het huis dankt u!