Je was al weg.
Je was al vertrokken.
Ik was te laat.
Je zag me niet meer.
Ik keek je aan
en zag enkel nog je handen
ze waren koud
en klein
Ik dacht eraan.
Ik gaf jou leven
en hield je handje vast.
Nu ben je weg.
Ik sta hier.
Meer eenzaam dan ooit.
Minder moeder dan gisteren.
Met een gebroken hart.
En enkel de herinnering
aan hoe jij mijn kind was.
En altijd zal blijven.
Mijn lichaam aarzelt. Hou ik hem vast? Leg ik mijn arm op zijn schouder? Of druk ik zijn hand en zwijg ik? Stil. Ik zie hem breken. Meteen tien jaar ouder worden. Er komen geen woorden. Enkel het diepe geluid van ingehouden snikken. Hij schokt even. Ik omhels hem. Hij legt zijn hoofd op mijn schouder.
Ik voel een diep en intens verdriet. Ongekend maar angstaanjagend. Het brengt herinneringen naar boven. Vijfentwintig jaar geleden hield ik mijn moeke vast. Zij brak toen niet. Zij zuchtte diep en dieper. Het maken van broodjes en koffie hield haar overeind. Mijn schouder was toen nog heel jong en mijn taal nog ontoereikend.
Hoewel het nu ook aanvoelt alsof ik beter zwijg. De clichés buitelen over elkaar heen.
Wat zeg je tegen iemand die zijn kind begraaft? Ik zoek woorden. Veel. Maar niet te veel. Net genoeg. Om even troost te bieden, even een steun te zijn. Woorden. Ze ontbreken.
