En dan zegt het lijf: STOP!

MRI op 4 oktober.

Au. En au …

Advertisements

Met mijn ziel onder mijn arm en mijn hart onder mijn ziel loop ik in gedachten naar de polen en terug. In cirkeltjes. Rond en rond.

Zo weef ik een web in mijn hoofd dat enkel vliegende gedachten vasthoudt. Gedachten die in cirkels gaan met mijn ziel onder mijn hart.

Maar nergens naar toe. Zonder doel en steeds terug. Uithollend vermoeiend.

Stop het rennen. Iemand?

Net wanneer mijn wereld weer even op zijn grondvesten davert, kom ik, geheel onverwachts moederziel alleen, terecht bij de Ark Van Zarren. Een toevluchtsoord werd het. Opgewacht worden door een engel met blonde haren op prachtige hoge hakken doet deugd aan de ziel.

Terwijl mijn lijf aanvoelde als één grote open wonde kreeg ik een verzachtende helende rondleiding en werd ik ondergedompeld in de warmte die de Ark zelfs zonder hittegolf verspreidt. Haar handen zwierven rond en streelden het gemoed.

Verse bloemen op en naast het bed, een flesje water, prachtige kussens en lakens, twee chocolaatjes en een ei in de tuin. Een ei dat me zachtjes deed schommelen terwijl ik mijn boek op schoot legde en eigenlijk vooral voor me uit staarde.

Ik voelde me alleen op de wereld, met een hoog Remigehalte. Of het einde goed gaat zijn, kan ik nog niet vertellen. Ik weet alleen wel dat mijn verhaal niet gedaan is …

Bij het met zorg bereide ontbijt de volgende ochtend kom ik te weten waarom een engel de Ark van Zarren in goede banen leidt. Zo’n ark heeft dat namelijk nodig. Voor ik het weet word ik meegenomen in een wereld die me heerlijk lijkt om te vertoeven. Herkenbaar en toch nieuw. Mooi en zacht. Moeilijk ook … maar dat is te dragen wanneer engelen in de buurt zijn. Met een overdaad aan geschenken én een gezond lunchpakket ga ik verder op mijn pad. Dat pad dat ik niet had verwacht alleen te doen. Maar ik kan het. Ook al doet het pijn. Zo veel pijn.

Als ik nadien in de wagen Matt Simons hoor, komen de verlossende tranen. Koksijde wenkt. Ik slik en rijd. Ik wandel en zweet.

En wanneer ik op een bankje in de schaduw het lunchpakket verorber, voel ik even wat kracht doorsijpelen. Speltpannekoeken lijken dat te doen. Weer iets nieuws ontdekt. Net zoals al dat andere …. Dank je Elsje.

Al dat water!

Wat is dat toch? Al dat gebleit, al die tranen, al dat water?

U weet het al langer dan vandaag. Ik ben een bleter, een wener, een bleitsmoel, een emogriet, een gevoelsmens en alles wat dat maar inhoudt …

Onlangs zat ik te kijken en te luisteren naar een vriendin die vocht en vecht. Tegen het wenen dus. “Ik wil niet”, zei ze, “Ik wil niet wenen, ik ben de tranen beu.” En ze keek ook een beetje boos toen ik zei: “Laat maar komen, laat maar komen, het moet er toch uit.”

Misschien keek ze niet echt boos, hoor … waarschijnlijk eerder wat getormenteerd en vooral droevig.

Wat is dat toch?

Waarom wordt tranen laten als zwak beschouwd? Waarom is het ‘sterker’ om met je hoofd omhoog vooral niet te laten zien wat je binnenin voelt? Waarom mag je niet zeggen: “Het wordt teveel.” ” Ik kan dit niet dragen.” Ik zie het even niet meer zitten.” Waarom lachen mensen een beetje wanneer je in stilte bijna luidkeels huilt met muziek, films, optredens …?

Ik kan daar deugd van hebben. Soms zet ik zelfs muziek op om eens goed te kunnen janken. Dan is het eruit. Dan is het weg. En dan ben ik er vanaf.

Huilen is goed. Huilen is ook sterk. Soms ben ik moediger wanneer ik toon wat ik voel dan wanneer ik het verstop achter een masker van humor en bravoure.

Het is niet dat ik enkel verdriet heb wanneer ik huil. Ontroering, vreugde, liefde, lachen, woede … het gaat veel gepaard met tranen. En het lijkt dikwijls alsof ik me dan moet verantwoorden. Mensen hebben soms schrik van tranen. Alsof er dan iets van hen verwacht wordt, alsof ze iets moeten oplossen, iets regelen, iets goed maken.

Dus bij deze: niet bang zijn. Ik ben een bleter, een wener, een bleitsmoel …

 

Soms gebeurt dat nog wel eens … dat we samen blij en gelukkig zijn. Dat we lachen en glimlachen en met fonkelende ogen elkaar aankijken en even een fladdering van glans voelen. Nu ja, ik toch. Wat hem betreft weet ik het niet en betwijfel ik het zelfs.

Meestal heeft dat te maken met ons gezamenlijk ‘product’. Dat kind, die jongen, die puber, die we beiden zo tof en grappig vinden, waarvan we houden met een intensiteit die enkel ouders begrijpen, die het beste van beide kanten heeft en ook wel wat minder goede kantjes van ons beiden.

Dan laat ik soms mijn scherm zakken. Dat op mijn hoede zijn wegens doorelkaargerammeldheid, dat voorzichtig zijn omdat de wonden ooit zo diep werden geslagen dat ze diepe, kloofgerelateerde littekens achterlieten. Littekens die een invloed hebben, nu al 8 jaar. Die me remmen in mijn relaties met eventuele partners, met mannen… Maar die me ook fier maken. Ik ben er nog. Ik sta er nog. En goed. En fijn.

Ik ben een betere moeder, vriendin, vrouw sedert ik gescheiden ben.

Maar jongens … wat een weg is dat geweest. Van niets meer en minder dan niets tot Iris. De echte deze keer. De ware.

En omdat er niets zwart wit is, komt het dus soms terug voor. Dat we samen blij en gelukkig zijn. Zonder dat ik bang ben of voorzichtig.

En steeds is daar dan die vanzelfsprekende vertrouwdheid. We zeggen nog steeds dezelfde dingen op hetzelfde moment. We lachen nog met dezelfde dingen. Zeker flauwe woordgrappen. Dat kan alleen hij zoals ik en ik zoals hij. En onze zoon heeft dat helemaal mee.

Daarom zijn gezinsmomenten de laatste jaren wel leuk. En fijn. Vooral voor die puber die ons aan het hart ligt.

Wat me sterk en zwak tegelijk maakt, is dat ik nu zie hoe hij werkelijk is. Wanneer je iemand adoreert, enkel teert op mooie momenten en voorbijgaat aan alle pijn die je voelt … dan zie je iemand niet in waarheid. En kan je niet in waarheid leven. Dan word je iemand anders dan jezelf.

Vandaag denk ik slechts nog aan hem wanneer ik praktische dingen moet regelen die moeders nu eenmaal regelen. Hij zal altijd de vader van mijn kind blijven en dat is een rol waarin ik hem waardeer en waarin zelfs af en toe zich een gevoel van warmte manifesteert op onverwachte momenten. Kort. Krachtig. Kort.

Maar gelukkig nooit meer met de intensiteit die het vroeger had. Want dat heb ik met heel veel moeite amper overleefd. Ik ben er nog. Helemaal. Sterk. Voor altijd. Sterk.

 

Ponering – ponatie

 

Soms zeg ik het gewoon. Rechtuit. Recht toe recht aan. Mensen schrikken er niet meer van. Of ik merk het tenminste niet meer op.

Etaleren wil ik niet. Medelijden ook niet. Maar af en toe is het noodzakelijke info voor mijn medemens. Zeker in mijn leeftijdscategorie. Terwijl vrienden gaan voor het appartement aan zee of in Spanje, het verwarmde zwembad in de tuin van de pastoriewoning, The Jane of het Pomphuis … kies ik ervoor om cadeautjes te kopen in tweedehandswinkels (heerlijk vintage), kledij in de solden aan te schaffen, zo weinig mogelijk ‘uit’eten te gaan maar zelf iets in elkaar te flansen en in eigen huis restaurantje spelen.

Ja ja … ik weet het wel. Wie het kleine niet eert, en bla bla bla …

Ik heb veel lieve vrienden die daar enorm rekening mee houden en dat zonder iets te zeggen of te laten merken. Rijke vriendin ‘schenkt’ me een vakantie in hun Spaans vakantiehuis, andere gegoede vriendin trakteert me voor mijn verjaardag op een etentje enzovoort enzovoort. Dat was aanvankelijk moeilijk. Trots enzo. Fierheid tot in de kleine tenen enzo.

Maar ik leerde te slikken en dank je wel te zeggen. Ik nam het aan. Het blijft moeilijk maar ik doe het. Het is ook lief zijn en graag zien. Ik deel altijd mijn levenswijsheid en die heb ik nu eenmaal dikwijls in de aanbieding. (Hopelijk lees je hier een groot deel ironie bij. Dat is toch wel wat de bedoeling).

De laatste tijd word ik echter zwaar geconfronteerd met rijke jongeren. Dat is anders.

Dat mensen van mijn leeftijd meer geld hebben is normaal: zij hebben geen twee huwelijken, twee scheidingen en drie levens achter de rug. Zij zijn nu al bijna 25 jaar samen/getrouwd met een afbetaalde hypotheek en studerende kinderen. Natuurlijk kan ik mezelf niet met hen vergelijken. Mijn pad was anders en ik zit nu daar waar ik moet zitten.

Het is echter nogal heavy wanneer je uit eten gaat met je 22 jaar jongere metekind en vriend en zij trakteren jou op een etentje in een peperduur Antwerps restaurant. Aperitief, voorgerecht én hoofdgerecht. Je ziet hallucinante bedragen de revue passeren en je rekent uit hoeveel schoenen je zou kunnen kopen voor die som.

Ik lachte het wat weg. Mijn mopjes zijn ook een goede munteenheid. Betalen daarmee is mogelijk. Maar toch … het deed wat zeer. Het leek me even de omgekeerde wereld. ‘Ik’ zou moeten trakteren in dure restaurants, niet zij ….

En terwijl ik vroeger verkondigde dat geld voor mij niet belangrijk was, lijkt het dat nu toch te worden. Aangezien mijn metekind ver weg woont, leek een reisje er naartoe me wel leuk. Maar nu word ik geconfronteerd met de ‘duurte’ van de nabijgelegen hotels en zie ik dat leuke reisje aan mij voorbij gaan.

Zaag ik? Zeur ik? Bent u het beu? Mijn gezever over geld en consoorten? Ik zou dat begrijpen. Dat kan.

Daarom zeg ik het tegenwoordig gewoon. Rechtuit. Recht toe recht aan. Mensen schrikken er niet meer van. Of ik merk het tenminste niet meer op.

“Ik ben een alleenstaande moeder.” Met een wat verontschuldigende glimlach erbij. Maar mijn hoofd rechtop. Dat ene zinnetje maakt de andere duidelijk dat ik er duurder uitzie dan ik ben. Dat ik niet te besteden heb wat mijn leeftijd of kledij doet vermoeden. Dat ik andere prioriteiten heb en dat dat voor mij soms moeilijk is.

Volgens mij wordt het te weinig gezegd. Rechtuit. Recht toe recht aan. Dus doe ik dat hierbij.

Ik ben alleenstaande moeder. En wij, alleenstaande moeders, spenderen ons geld navenant. Vwalla! Lap!