Hij wuift.

Met zijn sigaar in de hand.

De hand die een beetje stuk is.

Net als hij.

Hij wuift.

Het roodborstje werd zijn beste vriend.

Het trippelt

Naast hem

Als een Franciscus

Praat hij

en mompelt wat.

Is dat liefde?

Is dat vriendschap?

Dat is worstelen.

En vechten.

En onnoembaar ondefiniëerbaar puur.

Dat.

Is.

Advertisements

Soms snijdt het

Als hij de wij vormt

en ik alleen

met de jij

en zij

achterblijf.

Angst is maar voor even … spijt is voor altijd …

De stilte valt. Wat ongemakkelijk Wel verwacht. We hebben mekaar niet zoveel meer te vertellen.

Wanneer we dan toch eens een gesprek hebben,  wordt er altijd veel duidelijk. Er is geen spijt meer. Ook geen verdriet. Er is weer hoop. Ik ben niet meer bang. Er is geen angst. Er is zekerheid. Overtuigdheid.

Ik verloor de strijd. En dat is heerlijk. Want dan is er ook geen strijd meer. Dan is er geen intense eenzaamheid. Dan is er vrede.

Ik kom thuis. Bij mezelf. In mijn lijf. De boosheid ketst op me af. De verontwaardiging krijgt geen kans. Ik nip van de witte wijn. Ik trakteer een Leffe.

Mijn blik is zuiver. Objectief. Realistisch. Dat geeft een nieuwe kijk. Een nieuwe zekerheid. Een scheutje hoekonik met een vleugje waaromzagikdatniet sijpelt langs mijn hart naar mijn maag. Ik verdrink het met wijn.

Angst is maar voor even. En spijt is voor altijd. Maar verdriet gaat over. Weg is dat.

 

 

“Je moet niet meegaan, hoor!” Mijn lijf stokt. Ik adem diep in en uit. Ik slik en glimlach wat zuur.

“Ok, maar dan wil ik hier wel een dikke knuffel.” Hij antwoordt met een lach en zijn twee armen stevig om me heen. “Natuurlijk, moedertje”.

Na een ‘veel plezier en voorzichtig’ grabbelt hij zijn zakken bij elkaar en stapt hij, al gsm-end richting perron.

Wat bibberend zet ik mijn wagen terug in gang en rij ik met een slakkengangetje naast de stoep. Hij wuift éénmaal en kijkt weer naar zijn gsm.

Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Schaamt hij zich voor me? Wil hij een enthousiast babbelende moeder met tranen in haar ogen bij het vertrek vermijden? Of wordt hij stilaan zelfstandig en heeft hij een wuivende mama niet meer nodig?

Ik hoop dat laatste.

Plots komen ze natuurlijk weer. De waterlanders die ik slikkend verbijt. Omdat hij me niet meer zo nodig heeft.  Omdat ik zo trots op hem ben. Omdat ik zoveel van hem hou. Omdat ik blij ben dat hij het alleen kan. En ook omdat ditweer een nieuw afscheid is. En omdat ik die kleine armpjes strak om mijn nek soms ook zo mis.

Het nummer dat hij koos vlak voor we arriveerden gaat verder. I’ve got new rules.

Zoonlief misschien ook wel. Hij vertrok op sportkamp. Ik reed alleen naar huis. En mis hem. Straks is hij er weer. Ik zal blij zijn.

 

Het zothuis

Plaatselijke supermarkt op vrijdagmiddag. De winkel is vrijwel leeg. Enkele niet-hongerigen shoppen dapper op deze mooie zonnige dag. Oude man wandelt binnen. Hij praat erg luid in zichzelf. Hij roept tegen de koeken en de ontbijtgranen. Zijn boze toon vult de rekken.

Even maak ik oogcontact maar hij stampt vastberaden verder richting de diepvriespizza’s.

Wanneer ik achter hem sta aan de kassa, krijgt hij ruzie met de winkeljuffrouw. Een paar vloeken met God erin ontsnappen zijn lippen. De juf wordt rood en begint wat te stotteren. Een andere winkelhulp schiet te hulp. Het wordt bijna een schermutseling waaraan de grote gestalte van de winkelverantwoordelijke een einde maakt.

Boos baggert de scheldende man naar buiten.

Ik hoor hoe het incident wordt toegelicht aan de omstaanders. Meneer wou een kar meenemen want hij geraakte met zijn boodschappen niet thuis. De winkeljuf wees hem op de onmogelijkheid van zijn verzoek en de kar werd krachtig geweigerd. Er wordt gezucht en wat gemompeld.

Ondertussen handelt ze mijn boodschappen af. De winkelverantwoordelijke zegt met de handen in de zij: “Ach, die mensen … dat is erg.” Het meisje antwoordt terwijl ik mijn code intik: “Ja, en ze zeggen hier dat hij niet meer binnen mag in het zothuis!”. Mijn wijsvinger aarzelt boven het toetsenscherm. Ze gaat verder: “Dan moet het al wel erg zijn, hee, als ge al nimmer binnenmoogt in het zothuis.”

Ik hoor het goed. Ze gebruikt werkelijk dat woord. Weliswaar niet beter wetend (hoop ik toch!) maar desalniettemin komt het echt uit haar mond.  Ik slik. Nu is het mijn beurt om te zuchten en te mompelen.

Wanneer ik mijn winkelkar wegzet, hoor ik het gesprek tussen de boze meneer en enkele passanten. Ik aarzel. Blijf even stil staan. Hij blijft vloeken en tierend zijn verontwaardiging spuien.

Dan raap ik de moed bij mekaar en stap ik op hem toe.

“Ik hoor dat je niet thuisgeraakt. Ik wil je gerust brengen!” Hij stopt met praten en kijkt me aan. “Meent ge dat?” zegt hij nasaal en luid. Mijn knikken doet hem wat verbaasd van boven naar onder kijken. “Moet ik daar voor betalen?’. Ik ontken en zeg dat ik dat heel graag voor hem wil doen. Voor hij het goed en wel weet, hebben de omstaanders zijn zak in mijn koffer gezet. Zijn blikje bier is nog halfvol.

Van mij mag hij dat in de auto opdrinken.

We rijden richting Zoersel. Daar is hij opgenomen. De psychiatrie … of het zothuis zoals men dat in de bepaalde volksmond nog zegt.

Hij blijkt geen hij te zijn. Hij is een mevrouw. En zij drinkt. Veel. Mag niet meer bij haar moeder binnen. Zegt dat er ‘gepikt’ wordt op de afdeling. Dat men al haar kleren achter slot en grendel zet alleen omdat men haar zogezegd wil helpen. Dat de hond is gestorven.  Dat er meerdere honden gestorven zijn. En dan komen de tranen. Het blikje bier is leeg. Het gemoed is vol.

Mijn auto vult zich met de geur van dagenlang gedragen en gekregen kledij. Met snot en waterlanders. Met bier en verdriet.

De grens is dun. De lijn is wankel. Voor je het weet zit je daar. In het zothuis. Omdat het leven klote is, zoals zij zegt. Omdat je boos bent. Gekwetst. Ongelukkig. Arm. Depressief.

Na een korte zwaai en dank je wel, rijd ik weer richting huis. Met ontdooide pizza in de koffer. Ik zet de ramen wijd open. De geur van psychiatrie vult mijn neusholten.

Onverwacht staan mijn ouders geparkeerd in het dorp. Ik zwaai en zij zwaaien terug. Bronski Beat zegt de rest. Ik zucht en mompel.

Ik heb geluk. Ik geraakte uit het zothuis….

 

Duid-e-lijk

Een warm weerzien kan je het wel noemen. We luisterden beiden anderhalf uur  naar Manu Keirse. Interessante man met boeiende verhalen. Leren omgaan met rouw en verdriet. Dat was de titel van de lezing. Mijn interesse is vooral gestoeld op het vrijwilligerswerk dat ik nu al bijna 5 jaar heel graag doe.

Het raakt me wel, die verhalen. Ik slik af en toe terwijl hij vertelt over mensen die bij hem kwamen om te rouwen of te praten over verlies.

Nadien zijn we beiden de enigen die een vraag stellen. Het typeert ons wel. Toen we samen zaten in de middelbare school hier in de buurt, waren we al jongeren die hun hoofd boven het maaiveld uitstaken.

Met het risico dat hoofd kwijt te raken.

Dat gebeurde bij haar blijkbaar ook. Ze vertelt over het leven dat ze leed en leidt. We halen wat herinneringen op aan de school die we vroeger deelden.

En dan schrik ik. Ik schrik dat zij niet schrikt van dat ik niet schrok.

Ik vertel haar dat de middelbare school, zeker in die periode, een hel voor me was. Dat ik me niet gezien voelde, dat ik ongelukkig was en angstig en bang om niet te zijn wat men wilde dat ik was.

Ze lacht even omdat ze denkt dat ik een grapje maak en zegt dat ik toch altijd leuk en grappig was. Dat ik er beter mee om kon dan zij. Dat het altijd leek alsof ik ‘the time of my life’ had.

Het doet me denken nadien in de auto. Ik ben er niet door verrast. Het is een opmerking die ik meer krijg. Dat het altijd lijkt alsof ik gelukkig en vrolijk ben. Wanneer ik jou ontmoet ben, zal je altijd wel eens (glim)lachen. Het is fijn om grapjes te maken en mensen vrolijk te krijgen. Dat lukt me wel …

Toch blijft het me verbazen dat mensen daar niet door zien. Soms krijg ik het verwijt dat ik niet duidelijk ben. Terwijl ikzelf altijd het idee heb dat mensen weten hoe verdrietig en ongelukkig ik soms kan zijn. Dat ik in conflicten helder krijg wat ik voel en bedoel. Dat ik af en toe van de daken schreeuw dat ik je nodig heb en dat ik met je wil praten.

Niet dus.

Het blijft een levensles. Hulp vragen. Moeilijk vind ik dat. Want ik kan je met genoegen lastig vallen met onnozele grapjes en flauwe mopjes maar wanneer ik me eenzaam en alleen voel, zal je me niet zien of horen.

Is dat duidelijk?

 

Het ging tot nu toe zo goed.

Dat bedenk ik me terwijl ik twee keer heen en weer wandel. Aarzel. En weer wandel.

Het was al minstens twee weken geleden. Ik herinner me het gevoel van zachtheid, zaligheid en heerlijke weldoening. Dat zo iets kleins me dat gevoel kan geven. Het smelten. Het proeven. Het tasten. Het smaken. De lichtheid van het bestaan als het ware.

Wat verlang ik. Snak ik. Wil ik. Voel ik. Moet ik.

Hartstochtelijk schud ik een innerlijke nee. Nee. Nee. Nee. Verzet je! Verman je! Vervrouw je?

Ik blijf heen en weer lopen. Het lonkt. Vlijt. Verleid. Het lijkt me te roepen. Kom hier! Neem me! Proef me! Zoek me.

Uiteindelijk geef ik toe. Neem mijn tas en betaal. Met wat gezeur in het achterhoofd geef ik toe aan de verleiding. Ach … volgende keer zal ik er voorbij lopen. Dan zal ik me verzetten tegen de innerlijke roep. Tegen het heerlijke gevoel dat ik ga krijgen zo gauw mijn smaakpapillen gestreeld worden.

Ik ben verslaafd.

(bedenk ik me wanneer ik met 250 gram Manon-witte-Leonidaspralines op de stoep sta)