Negentig

De muziek is luid. Verschrikkelijk luid en ook wel verschrikkelijk. De bonkende beat baant zich een weg via mijn borstkas richting onderrug, richting hernia. Het liefst zou ik rechtsomkeer maken maar omdat ik net een toegangsprijs betaalde waarvoor ik minstens veertien dagen brood kan kopen én mijn vriendin wel helemaal enthousiast van de borende beat wordt, zet ik met de moed der wanhoop een stap in de grote zaal.

Vergezeld van een plastieken beker Chateau migraine stappen we richting dansvloer. Ik voel me lichtjes bekocht. Terwijl de stempel op mijn  hand zegt “This is 90s” (wat volgens mij grammaticaal twijfelachtig is), herken ik geen enkel nummer. Af en toe passeert er een ninetiestekst met daaronder die dreunende beat maar dat is niet wat ik noem goeie muziek uit de negentiger jaren.

Ik kijk en word bekeken. Ik keur en word waarschijnlijk ook gekeurd. Veel vrouwen van mijn leeftijd en een heleboel jongens. Jongens als in ‘konden mijn zoon zijn’. Ontzettend oud voel ik me plotsklaps. Ik val uit de toon met mijn bloemenkleedje en even zou ik het liefst op een stoel gaan zitten en wat rondkijken. Wanneer ik opzij kijk, moet ik hard lachen. Mijn vriendin staat extatisch te dansen en heeft er helemaal zin in.

Plots valt mijn oog op een leeftijdsgenoot. Strakke jeans met mooi zwart hemd en prachtige schoenen. Hij merkt op dat ik er naar kijk en glimlacht. Betrapt glimlach ik terug en dans ik verder.

Wanneer mijn vriendin even buiten gaat bellen, stapt hij mijn richting in.

“Jij staat hier helemaal alleen te dansen, dat vind ik moedig.” Ik antwoord vrij snel: “Ik ben dan ook een moedige vrouw.” Hij gooit zijn hoofd in zijn nek en schaterlacht. Het cliché spat eraf maar ik trek het me niet aan.

Er ontspint zich een gesprek dat veel op een steekspel lijkt. Heen en weer gaat het. Adrem en adhoc. Er wordt gelachen. Zijn staalblauwe ogen hypnotiseren me een beetje. Ik krijg een drankje en trakteer er eentje terug.

Hij vraagt mijn naam en geeft me de zijne. Ik weet zeker dat dat niet zijn echte naam is. “Junior? Zo heette de hond van mijn eerste lief !” Grappig ben ik wel. Zeker in een zaal vol jeugd die denkt dat iedereen in de nineties zich kleedde in fluo-t-shirts met een witte pet op.

Soms zwijgen we en dansen we dicht bij elkaar in de buurt. Hij vraagt of ik sportief ben en mijn antwoord is hetgene dat ik pré-hernia zou gezegd hebben. Hij vertelt me dat hij graag reist en ik zeg dat ik dat boeiend vind. Niet vertellend dat ik helemaal geen reiziger ben en ik het liefst met een boek op het strand zit. Hij trekt met de motor door Europa en ik vind dat eigenlijk nogal midlifecrisisachtig.

Het is zo’n gesprek dat positief, vlot, grappig en vooral plezant is. Geen levensinfo die mensen kan afschrikken. Geen rugpijn, liefdesverdriet en weemoed.

Wanneer hij me vraagt of ik gelukkig ben, smelt ik even. Ik hou van mannen met onverwachte vragen. Hij komt dicht bij me staan en neemt mijn bril af. Even schrik ik … Dan begint hij mijn bril te poetsen met de slip van zijn prachtige zwarte hemd. Ik slik en zet een stap naar achter. Zachtjes zet hij mijn bril weer op mijn neus en knipoogt.

Even later gaan ze weg. Hij en zijn zwijgzame vriend die zich waarschijnlijk de laatste uren stierlijk verveelde. Een kus, een schouderklop en weg is hij.

Er werden geen gegevens of adressen uitgewisseld. Dat was niet noodzakelijk. Niemand was op zoek naar de ware liefde of een nieuwe relatie.

Terwijl ik er over nadenk, spatten de platitudes eraf. Maar jongens, wat heb ik er van genoten. Na een jaar waarin mijn lijf me in de steek liet, net zoals het niet-lief dat de laatste jaren dartelend mijn huis binnen en buiten liep, was ik even toe aan wat luchtigheid met een oppervlakkige toets.

Ik voel me al een tijdje oud en afgedankt. Junior zorgde voor de mousse in mijn chocolade. Of is dat écht een te gortige melige zin?

En toen kwam Get Ready. Het werd nog een echt feestje. (smiley)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Happy

De laatste weken voel ik me opgelucht. Bevrijd. Nieuw. Levend. Dat heeft niet te maken met mijn lijf. Dat protesteert nog steeds. De pijnstillers stapelen zich op en zorgen voor een minderpijnlijk bestaan.

Dit gaat over mijn hart. Mijn hoofd. Mijn buik. Mijn ziel.

Dat ik van mijn huwelijken niet meteen een succes kon maken is algemeen bekend. Dat heeft lang gewogen. Zwaar. Diep. Heavy. Not happy dus.

Ik zwelg soms. In narigheid en navelstaarderij.

Deze zomer was het weer zover. X-mangewijs kan ik een gat boren in mijn navel terwijl ik staar. Een onderdompeling werd het weer. Zo eentje waarvan je longen bijna barsten.  Waarbij je je ogen openspert en snakt naar verluchting. Waarbij je denkt ‘dit lukt nooit meer’. Heerlijk is het dan om boven water te komen en met diepe gulzige teugen zuurstof te krijgen.

Op verschillende manieren. In verscheidene situaties.

Gisterenavond realiseerde ik me een heerlijke waar-heid. Mijn vriendschapsrelaties zijn levenslang en durend. Dat geluk heb ik. Wanneer het me niet goed af gaat, schieten de vrienden in actie en zijn ze mijn zwembandjes in het diepe zwarte water dat kolkt. Daar kan geen ‘liefdesleven’ tegenop. Ze zijn er. Ze zijn d.a.a.r.

Ook wanneer ik, zoals gisteren dus, doordram over bepaalde gebeurtenissen. We lachen en we zijn ironisch, we bevestigen en ontkennen elkaar. We porren, we duwen, we strelen, we aaien … we maken mekaar en onszelf beter.

Ook wanneer ik om kwart voor elf al vraag of het goed is dat we naar huis gaan. Lang zitten op een caféstoel is pijnlijk en het strekken van de benen gaat moeilijk met die lange van mij. Ze knikt en lacht. Doet haar jas aan. We kibbelen even over de rekening. We rijden richting huis. En babbelen nog minstens drie kwartier in het duister van de auto en de nacht.

Waarna ik me met een pijnlijke rug op de zetel plof en ook minstens drie kwartier met een wasmand vol kussens onder de benen ontspan.

Ik zie ze graag. In goede en slechte tijden, in ziekte en gezondheid, in armoede en rijkdom.

 

 

 

Soms gebeurt dat nog wel eens … dat we samen blij en gelukkig zijn. Dat we lachen en glimlachen en met fonkelende ogen elkaar aankijken en even een fladdering van glans voelen. Nu ja, ik toch. Wat hem betreft weet ik het niet en betwijfel ik het zelfs.

Meestal heeft dat te maken met ons gezamenlijk ‘product’. Dat kind, die jongen, die puber, die we beiden zo tof en grappig vinden, waarvan we houden met een intensiteit die enkel ouders begrijpen, die het beste van beide kanten heeft en ook wel wat minder goede kantjes van ons beiden.

Dan laat ik soms mijn scherm zakken. Dat op mijn hoede zijn wegens doorelkaargerammeldheid, dat voorzichtig zijn omdat de wonden ooit zo diep werden geslagen dat ze diepe, kloofgerelateerde littekens achterlieten. Littekens die een invloed hebben, nu al 8 jaar. Die me remmen in mijn relaties met eventuele partners, met mannen… Maar die me ook fier maken. Ik ben er nog. Ik sta er nog. En goed. En fijn.

Ik ben een betere moeder, vriendin, vrouw sedert ik gescheiden ben.

Maar jongens … wat een weg is dat geweest. Van niets meer en minder dan niets tot Iris. De echte deze keer. De ware.

En omdat er niets zwart wit is, komt het dus soms terug voor. Dat we samen blij en gelukkig zijn. Zonder dat ik bang ben of voorzichtig.

En steeds is daar dan die vanzelfsprekende vertrouwdheid. We zeggen nog steeds dezelfde dingen op hetzelfde moment. We lachen nog met dezelfde dingen. Zeker flauwe woordgrappen. Dat kan alleen hij zoals ik en ik zoals hij. En onze zoon heeft dat helemaal mee.

Daarom zijn gezinsmomenten de laatste jaren wel leuk. En fijn. Vooral voor die puber die ons aan het hart ligt.

Wat me sterk en zwak tegelijk maakt, is dat ik nu zie hoe hij werkelijk is. Wanneer je iemand adoreert, enkel teert op mooie momenten en voorbijgaat aan alle pijn die je voelt … dan zie je iemand niet in waarheid. En kan je niet in waarheid leven. Dan word je iemand anders dan jezelf.

Vandaag denk ik slechts nog aan hem wanneer ik praktische dingen moet regelen die moeders nu eenmaal regelen. Hij zal altijd de vader van mijn kind blijven en dat is een rol waarin ik hem waardeer en waarin zelfs af en toe zich een gevoel van warmte manifesteert op onverwachte momenten. Kort. Krachtig. Kort.

Maar gelukkig nooit meer met de intensiteit die het vroeger had. Want dat heb ik met heel veel moeite amper overleefd. Ik ben er nog. Helemaal. Sterk. Voor altijd. Sterk.

 

“Om kwart over 7?”

Ik glimlach: “Dat gaat wat te vroeg zijn.”

“Half 8 dan?”

Ik knik. We hebben een date.

Het is vrijdagavond. Om zeven uur vliegt een blije zoon zijn even blije vader rond de hals. Veertien dagen kinderloos zijn … het is vreselijk lang.

Ik drink een glas wijn. Dat kan nog wel even. Ik heb pas om half 8 mijn afspraak.
We praten. Over de zoon. Nieuwe sportschoenen die gekocht werden. De vakantie die hij met papa gaat beleven.
Het is fijn.
Om half 8 vertrek. Ik omhels hem omdat ik blij ben dat ik hem eindelijk kan zien en met hem kan praten zonder dat ik het wanhopige verlangen tot verzoening voel.
Het is een machtig gevoel dat ik wil koesteren.

Mezelf kennende kan dat nog altijd weer minder sterk worden. Maar het fundament is gelegd.

Om kwart voor 8 wandel ik het restaurant binnen.
“Heej Iris” hoor ik verrast. Mijn lieve vriendin met haar gezin zit heerlijk mosselen te eten. Ze vertrekken deze avond op reis. Naar Les Issambres. Waar ik vorig jaar rond deze tijd naartoe ging. We knuffelen en ik stap verder.

Haar hand gaat de lucht in. Hij kijkt om en glimlacht. Altijd met een beetje vocht in zijn ogen.
Hij ziet me zo graag. Ik knik naar een buur die verderop zit en schuif aan.

De eerste avond zonder zoon kan beginnen.
Nu is het mijn beurt om kind te zijn. Ik mag even zeggen dat het afscheid meeviel. Dat ‘hij’ best vriendelijk was. Dat ik graag de wok met scampi’s neem. Dat we een flesje witte huiswijn zullen drinken. Dat mijn grootmoeder wat achteruit gaat. Dat het verdrietig is. Hoe was ze vroeger? We praten over familie, neven, nichten. Over toen ik klein was. Puber …. Dat ze er voor me zijn. Altijd.
Voor ik het weet is het half 12. Het lijkt alsof we nog niet uitgepraat zijn.

Ik voel me gelukkig wanneer ik naar huis rij. Mijn ouders … ze zijn fantastisch.