Soms gebeurt dat nog wel eens … dat we samen blij en gelukkig zijn. Dat we lachen en glimlachen en met fonkelende ogen elkaar aankijken en even een fladdering van glans voelen. Nu ja, ik toch. Wat hem betreft weet ik het niet en betwijfel ik het zelfs.

Meestal heeft dat te maken met ons gezamenlijk ‘product’. Dat kind, die jongen, die puber, die we beiden zo tof en grappig vinden, waarvan we houden met een intensiteit die enkel ouders begrijpen, die het beste van beide kanten heeft en ook wel wat minder goede kantjes van ons beiden.

Dan laat ik soms mijn scherm zakken. Dat op mijn hoede zijn wegens doorelkaargerammeldheid, dat voorzichtig zijn omdat de wonden ooit zo diep werden geslagen dat ze diepe, kloofgerelateerde littekens achterlieten. Littekens die een invloed hebben, nu al 8 jaar. Die me remmen in mijn relaties met eventuele partners, met mannen… Maar die me ook fier maken. Ik ben er nog. Ik sta er nog. En goed. En fijn.

Ik ben een betere moeder, vriendin, vrouw sedert ik gescheiden ben.

Maar jongens … wat een weg is dat geweest. Van niets meer en minder dan niets tot Iris. De echte deze keer. De ware.

En omdat er niets zwart wit is, komt het dus soms terug voor. Dat we samen blij en gelukkig zijn. Zonder dat ik bang ben of voorzichtig.

En steeds is daar dan die vanzelfsprekende vertrouwdheid. We zeggen nog steeds dezelfde dingen op hetzelfde moment. We lachen nog met dezelfde dingen. Zeker flauwe woordgrappen. Dat kan alleen hij zoals ik en ik zoals hij. En onze zoon heeft dat helemaal mee.

Daarom zijn gezinsmomenten de laatste jaren wel leuk. En fijn. Vooral voor die puber die ons aan het hart ligt.

Wat me sterk en zwak tegelijk maakt, is dat ik nu zie hoe hij werkelijk is. Wanneer je iemand adoreert, enkel teert op mooie momenten en voorbijgaat aan alle pijn die je voelt … dan zie je iemand niet in waarheid. En kan je niet in waarheid leven. Dan word je iemand anders dan jezelf.

Vandaag denk ik slechts nog aan hem wanneer ik praktische dingen moet regelen die moeders nu eenmaal regelen. Hij zal altijd de vader van mijn kind blijven en dat is een rol waarin ik hem waardeer en waarin zelfs af en toe zich een gevoel van warmte manifesteert op onverwachte momenten. Kort. Krachtig. Kort.

Maar gelukkig nooit meer met de intensiteit die het vroeger had. Want dat heb ik met heel veel moeite amper overleefd. Ik ben er nog. Helemaal. Sterk. Voor altijd. Sterk.

 

Advertisements

Lees mij

blader door me heen

sla met zachte vingers

het volgelezen blad

om

en om

en om

maak mij

een best-seller

“Om kwart over 7?”

Ik glimlach: “Dat gaat wat te vroeg zijn.”

“Half 8 dan?”

Ik knik. We hebben een date.

Het is vrijdagavond. Om zeven uur vliegt een blije zoon zijn even blije vader rond de hals. Veertien dagen kinderloos zijn … het is vreselijk lang.

Ik drink een glas wijn. Dat kan nog wel even. Ik heb pas om half 8 mijn afspraak.
We praten. Over de zoon. Nieuwe sportschoenen die gekocht werden. De vakantie die hij met papa gaat beleven.
Het is fijn.
Om half 8 vertrek. Ik omhels hem omdat ik blij ben dat ik hem eindelijk kan zien en met hem kan praten zonder dat ik het wanhopige verlangen tot verzoening voel.
Het is een machtig gevoel dat ik wil koesteren.

Mezelf kennende kan dat nog altijd weer minder sterk worden. Maar het fundament is gelegd.

Om kwart voor 8 wandel ik het restaurant binnen.
“Heej Iris” hoor ik verrast. Mijn lieve vriendin met haar gezin zit heerlijk mosselen te eten. Ze vertrekken deze avond op reis. Naar Les Issambres. Waar ik vorig jaar rond deze tijd naartoe ging. We knuffelen en ik stap verder.

Haar hand gaat de lucht in. Hij kijkt om en glimlacht. Altijd met een beetje vocht in zijn ogen.
Hij ziet me zo graag. Ik knik naar een buur die verderop zit en schuif aan.

De eerste avond zonder zoon kan beginnen.
Nu is het mijn beurt om kind te zijn. Ik mag even zeggen dat het afscheid meeviel. Dat ‘hij’ best vriendelijk was. Dat ik graag de wok met scampi’s neem. Dat we een flesje witte huiswijn zullen drinken. Dat mijn grootmoeder wat achteruit gaat. Dat het verdrietig is. Hoe was ze vroeger? We praten over familie, neven, nichten. Over toen ik klein was. Puber …. Dat ze er voor me zijn. Altijd.
Voor ik het weet is het half 12. Het lijkt alsof we nog niet uitgepraat zijn.

Ik voel me gelukkig wanneer ik naar huis rij. Mijn ouders … ze zijn fantastisch.

Hij kijkt over zijn brilglazen met liefde. Ik kijk met een glimlach over mijn sederkortleesbrilogen-bril terug.

Hij geeft me een lied(je). Iets met een zwoele bas, een trage drum en een slepende piano… Datgene waarvoor ik smelt. Altijd al. Nu ook weer.

“Dans jij soms?” vraag ik.
Hij lacht en schudt.

Ik krop even. Denk aan de kracht van mannelijke armen. Hoe een hand in je rug je probleemloos in een bepaalde richting duwt. Een voorhoofd dat op je schouder rust. Een hoofd dat warm drukt in de holte van je oor en hoofd. Sensueel. Zinnelijk. Een wereld die enkel uit twee mensen bestaat. Eén gevoel. Eén zijn.

Ik traan even. Een gemis dringt zich wederom richting buik en ziel. Ik ontdek elke dag meer unieke dingen in de relatie van toen en de relatie van nu.

We dansen niet. We duwen niet. We zingen niet.

Maar we voelen.
Meer dan we ooit zullen weten.
Ik wil niemand anders.
Ik heb niemand anders nodig.
Ik hou van iemand. Meer dan hij ooit zal weten.

Mijn vogelhuis

Met een glas roze cava ga ik even lekker zitten. Na de hele namiddag heen en weer hollen tussen keuken en terras mag ik dat van mezelf even doen. Genietend kijk ik om me heen.
Daar zit ik dan. Op mijn eigenste terrasje met mijn eigenste geliefden.
Zoonlief loopt ergens luidkeels te roepen tussen het gras en de bomen. Hij wordt momenteel achtervolgd door andere roependen met zwaar geschut in de handen. Pang, pang en dekkedekkedek gaat het. Mijn afkeer van zulke spelletjes is blijkbaar niet beïnvloedend genoeg om hem ermee te doen stoppen. Wat ik vandaag dan ook niet al te erg vind.
Mijn vader blijft heen en weer lopen tussen keuken en terras en daar ben ik dankbaar voor. Mijn moeder praat met mijn nichtje dat tranen in haar ogen heeft. Het gaat niet goed met haar. We liggen er met zijn allen wakker van.
Mijn blik dwaalt af. Hij staat met een sigaar in zijn gekwetste hand te praten en te gesticuleren. Het gaat over zijn schilderijen, ik zie het aan de uitdrukking op zijn gezicht. Mijn vriendin luistert naar hem. Ik bewonder haar knalrode haar dat alle kanten uitsteekt. Haar bomma-kleedje spant om haar lichaam. Ze heeft een buikje. Haar handen ervoor gehouden, antwoordt ze hem. Er wordt gelachen. Ik kijk naar hen beiden en voel hoeveel ik van hen houd.
A. zit naast me. Graatmager met haar grote blinkende zonnebril op. Ze lacht. Ik heb zin om haar eens goed vast te pakken. Ook zij heeft haar problemen.
Andere A. glimlacht naar me en zegt hoe blij ze is dat ik haar uitnodigde. Ik knik enthousiast. Het is de derde keer dat ik haar zie maar ze voelt al heel fijn. Gescheiden. Net als ik. Net als vriendin met het rode haar. Net als A. Net als het nichtje.

Verbaasd tel ik even. Hoeveel van mijn vrienden zijn er nog gehuwd? Ze zitten in ieder geval vandaag niet op dit feestje.
Gek. Hoe ik plots tot het besef kom dat ik met een boel single (gescheiden) vrienden omga.

Vrij laat op de avond komt oude vriendin nummer twee nog langs. Het is vier jaar geleden dat ik haar terug ontmoette, toen na 15 jaar … We waren als één in het secundair. Elke dag samen naar school fietsen en in het weekend samen uitgaan. Haar levensweg was zo moeilijk dat zij van mijn radar verdween. En toen het mijne de dieperik inging, verscheen zij terug. Vandaag praten we. Onze zonen lopen roepend en schietend achter elkaar aan en voor we het weten tonen we weer wat er binnen leeft en lieft.

‘s Avonds lig ik naast zoonlief te mijmeren.
Mijn feestjes van de laatste jaren zijn anders dan die van vroeger. Rustiger. Liever. Zachter.
Met veel gekwetste mensen die zo schoon en lief zijn. Verschillend. Met dikwijls schrijnende verhalen. Verhalen die ik vier jaar geleden niet zou horen omdat mijn muur toen zo dik was dat niemand het waagde er zichzelf tegenaan te gooien.

Ze zijn mijn gekwetste vogels. Allemaal wat bang en geschonden. Maar met sterke vleugels waaronder wij kunnen schuilen bij noodweer.
Ik zie ze graag.
Mijn mooie gelittekende vrienden.
Ze zijn mijn familie Mijn clan. Mijn groepje.

Ze landen af en toe op mijn terras. Krijgen wat water. Sterken hun vleugels wat aan. Vliegen verder.
Terwijl ik wuif en hen de hoge blauwe lucht ‘inaanmoedig’.

Nu en dan vlieg ik ook. Nog niet altijd zo hoog. Maar ooit zijn mijn vleugels als de hunne.
En zal ik weer helemaal mezelf zijn.
Zoals ik dat vandaag was.
Ik ben rijk …