Liegenier

Er gaan een drietal mensen op deze wereld smalend lachen bij de volgende bewering, maar voor mij is het waar: ik kan niet liegen.

Wanneer ik het toch doe, lig ik er wakker van. Krijg ik buikpijn. Zit mijn nek vast.

Een leugentje om bestwil als in ‘ik bereidde een verrassingsfeestje voor en verklap het niet’, lukt nog net. Neen, dat is ook gelogen. Daar geniet ik omvangrijk en uitgebreid van. Voorpret kan bij mij weken, maanden duren.

Neen, het gaat over de grote leugens in het leven. “Ja, papa, ik was gisteren om half 1 thuis”. NOT! “Ja mama, ik vind jouw zelfgemaakte vest echt heel cool”. NOT (op zeventienjarige leeftijd). “Ja mevrouw, ik maakte mijn taak gisteren echt wel af”. NOT (want ik deed stiekem spelletjes i.p.v. huiswerk te maken).

Ik word er helemaal confuus van als ik moet liegen. Om allerlei redenen kan dat zijn. Om de andere niet te kwetsen, te beschermen tegen de waarheid en vooral … dat ze niet boos op me worden. Want daar ga ik van kronkelen. En sedert een aantal jaren is het echt een trauma … mensen die hun stem verheffen, met deuren slaan of ijzig zwijgen en je ogen-blikgewijs de grond in boren … die doen mijn tenen krullen.

Dan dúrf ik de waarheid niet zeggen. Uit angst. Uit lafheid. Uit zwakte.

Kinderen doen dat ook. Bij roepende, boze, ijzige, eisende ouders. Dan gaan ze dingen verzinnen, mooier maken of doen verdwijnen.

De laatste jaren gedraag ik me niet meer zo kinderachtig. Er zijn geen kille, woedende, misprijzende ogen en stemmen in mijn buurt. Je zou zeggen dat de waarheid zeggen dan toch gemakkelijker wordt.

Tja, dan moet je eens als het ware in de tuin van je ouders wonen. En af en toe mannelijk gezelschap in huis hebben. Of late feestjes doen. Of nachtelijke limoncello-afspraakjes hebben. Of repetitie waarbij één van de muzikanten een nieuwe auto kocht. (Wie was dat gisterenavond? Ha, kocht hij een nieuwe wagen?! Oh, we dachten al …)

Laat dat puntje puntje puntje nu net iets zijn waarover ik dan soms lieg. Euh … de waarheid verzwijg, verdraai, verBloem …

Yep. Boem Bloem!

Wegenwerken

Van ver zie ik ze aankomen. Een ietwat ouder koppel. Hij groot en struis, zij klein en fragiel.

Ze heeft een boodschappentas vast. Ze praten. Hun hoofden bewegen en ik zie hen instemmend knikken naar elkaar.

Hand in hand. Als twee kleuters die in het rijtje staan. Die handjes moeten geven om netjes achter en naast elkaar te lopen. En die de dikste vriendjes zijn.

Hun handen bewegen. Zwaaien lichtjes heen en weer. Ze blijven gesticuleren en er wordt hartelijk gelachen.

Wanneer ze aan de brievenbus van mijn grootouders arriveren, laat hij haar los en haalt er de post uit. Met de post in zijn ene hand neemt hij met de andere haar hand weer vast. Het loslaten was maar even. Terwijl zij observeerde hoe hij de brievenbus opende, bleef het onzichtbare touwtje tussen hen sterk verbonden.

Hun verbondenheid duurt al een leven lang. Ze zijn nog altijd de beste maatjes. Wat ze al waren van toen ze samen kampen bouwden en in de tuin speelden.

Het is een symbiose die me soms wat afgunstig maakt. Zo intens van elkaar houden en samen leven. Voor mij ligt dat voorgoed in het verleden. En dat is fijn want symbiose is enkel interessant wanneer het in biologische, chemische, fysische zin gebeurt. Ik lijk te verdwijnen wanneer ik een allesoverrompelende liefde ervaar. Niet goed dus.

Maar ik zie het wel graag. Dat koppel met een unieke synergie. Die twee-eenheid die zich door alle stormen van het leven slaat. Ze doen dat goed. Ze doen dat mooi.

En ik mag af en toe schuilen bij hen. Wanneer het leven me even onderuit haalt. En de laatste jaren vooral wanneer ik grote stappen neem en hen kan laten zien: “Kijk eens, zonder handen!”

Yep, dat gaat goed. Dat is mooi!

Mijn ouders gingen te voet naar de Albert Heijn wegens wegenwerken in onze straat. Ik zag hen gaan.

Omen Amen

Voortekens … soms geloof ik daarin. Dikwijls merk ik het pas wanneer er weer wat tijd en emoties overgingen. Dan was mijn aandacht te veel naar buiten gericht en te weinig naar binnen.

Vandaag was het zo’n dag dat ik het weer nodig had. Even naarbinnen kijken.

Het ouwe vorige ex-lief nodigde me uit om het andere continent te bezoeken. Boston, ik wou dat het kon.

Niet dus … Misschien vertrek ik morgenvroeg, misschien blijf ik thuis. Dan zijn er allerlei voorbereidingen gedaan. De zoon verblijft bij zijn vader in plaats van bij mij. Toen we dat regelden kwam er weer veel bitterheid en verdriet aan beide kanten naarboven omdat Boston indertijd echt niet kon toen. En nu nog altijd moeilijk ligt, zo bleek het.

Is het een voorteken? Dat het nu ook weer niet lukt?

Op het moment dat ik het me concreet afvraag, schiet mijn hele sociale netwerk in actie. Met de beste bedoeling, ja, dat geloof ik … “Gelukkig zit je nu niet in Frankfurt vast!” “Weet je wel zeker of je vlucht nu veranderd is?” “Weet je wel zeker dat je ook een vlucht Brussel – Frankfurt hebt?” “Kijk online even hoe het met de status van je vlucht gesteld is” “Klik even op de link die ik deelde op je fb-pagina.” “Bel even naar Lufhansa.” “Bel nadien terug of het in orde is.” “Ik zou een koffer nemen in plaats van een tas.” “Zie dat je proper ondergoed hebt in je handbagage” “Neem geen flesjes of tubes mee, dat houden ze toch bij”

Terwijl de ervaring me leerde dat ik dan even gas moet terugnemen, zit ik ook als een gek op fb te posten hoe ver het staat, hang ik een half uur in de wacht bij Lufthansa Brussels, maan ik zoonlief aan om dat verdomde luide geluid van zijn Wii stil te zetten, kijk ik een marathon The Graham Norton show, speel ik Farmville en drink ik latte tegen de sterren op.

Net wanneer ik voel dat ik ga gillen … is er de innerlijke iris die me bij de kraag grijpt en zegt: “ERUIT!”

Ik gooi mezelf de fiets op en trap als een bezetene richting …
tja, richting waar?

Eerst richting de bakker … ik verwen mezelf met een mokka soesje in een papieren zakje. Dat steek ik in mijn bloemetjesfietszak en dan trap ik terug weer aan een gestaag tempo.

Richting Moeke. Ik traan even voor haar graf, ga op het naburige bankje zitten en eet mijn soesje op. Mijn ogen dicht tegen de stralende zon. Luisteren naar de vogels, Luisteren naar de verre eenzame auto die voorbijtuft.

Ik adem. In. uit. In. Uit.

Een last glijdt van me af. Ik piep tussen mijn wimpers en zie een wit konijn aan de rand van de begraafplaats. Het wipt tussen het graf van Moeke en haar buurvrouw door. Terwijl ik mijn adem inhoud, kijkt het even achterom. Waarschijnlijk is het inbeelding maar ik voel hoe we heel kort oogcontact maken. Weg is het.

Was ik even Alice? Neen, het konijn had geen hoed op en stond niet op zijn achterste poten. Ik ben Iris. Bloem.

Ik adem. In. Uit. In. Uit.

Zucht ….

Wanneer ik langzaam richting fiets wandel, komt J.langs. Hij knikt en herkent me even niet. 30 jaar en zoveel rimpels later. Ik glimlach en noem zijn naam. We wandelen beiden verder, langs elkaar heen. Mijn hart roert zich even. Niet voor hem maar voor wie ik voor hem was, wat ik betekende. Ik beantwoordde zijn gevoelens niet en hij weende toen. De eerste jongen die ik zag wenen omdat ik hem afwees. Tevens ook de laatste om die reden want, wat ik toen niet wist, later zou ik degene zijn die zou wenen.

Toch blijf ik glimlachen en voel ik me warm worden.

Ooit werd ik graag gezien. En dat zou eigenlijk nooit meer ophouden. De liefde zou veranderen en ik zou volwassen worden. Met een licht bitter kantje dat af en toe zeer scherp kan zijn. Zoals vandaag.

Het scherp is van de snee. Ik kan weer verder. Dank je J. Dank je Moeke. Dank je, konijn.

En bij die laatste gedachte glimlach ik luider dan ooit.

“Om kwart over 7?”

Ik glimlach: “Dat gaat wat te vroeg zijn.”

“Half 8 dan?”

Ik knik. We hebben een date.

Het is vrijdagavond. Om zeven uur vliegt een blije zoon zijn even blije vader rond de hals. Veertien dagen kinderloos zijn … het is vreselijk lang.

Ik drink een glas wijn. Dat kan nog wel even. Ik heb pas om half 8 mijn afspraak.
We praten. Over de zoon. Nieuwe sportschoenen die gekocht werden. De vakantie die hij met papa gaat beleven.
Het is fijn.
Om half 8 vertrek. Ik omhels hem omdat ik blij ben dat ik hem eindelijk kan zien en met hem kan praten zonder dat ik het wanhopige verlangen tot verzoening voel.
Het is een machtig gevoel dat ik wil koesteren.

Mezelf kennende kan dat nog altijd weer minder sterk worden. Maar het fundament is gelegd.

Om kwart voor 8 wandel ik het restaurant binnen.
“Heej Iris” hoor ik verrast. Mijn lieve vriendin met haar gezin zit heerlijk mosselen te eten. Ze vertrekken deze avond op reis. Naar Les Issambres. Waar ik vorig jaar rond deze tijd naartoe ging. We knuffelen en ik stap verder.

Haar hand gaat de lucht in. Hij kijkt om en glimlacht. Altijd met een beetje vocht in zijn ogen.
Hij ziet me zo graag. Ik knik naar een buur die verderop zit en schuif aan.

De eerste avond zonder zoon kan beginnen.
Nu is het mijn beurt om kind te zijn. Ik mag even zeggen dat het afscheid meeviel. Dat ‘hij’ best vriendelijk was. Dat ik graag de wok met scampi’s neem. Dat we een flesje witte huiswijn zullen drinken. Dat mijn grootmoeder wat achteruit gaat. Dat het verdrietig is. Hoe was ze vroeger? We praten over familie, neven, nichten. Over toen ik klein was. Puber …. Dat ze er voor me zijn. Altijd.
Voor ik het weet is het half 12. Het lijkt alsof we nog niet uitgepraat zijn.

Ik voel me gelukkig wanneer ik naar huis rij. Mijn ouders … ze zijn fantastisch.

Mijn vogelhuis

Met een glas roze cava ga ik even lekker zitten. Na de hele namiddag heen en weer hollen tussen keuken en terras mag ik dat van mezelf even doen. Genietend kijk ik om me heen.
Daar zit ik dan. Op mijn eigenste terrasje met mijn eigenste geliefden.
Zoonlief loopt ergens luidkeels te roepen tussen het gras en de bomen. Hij wordt momenteel achtervolgd door andere roependen met zwaar geschut in de handen. Pang, pang en dekkedekkedek gaat het. Mijn afkeer van zulke spelletjes is blijkbaar niet beïnvloedend genoeg om hem ermee te doen stoppen. Wat ik vandaag dan ook niet al te erg vind.
Mijn vader blijft heen en weer lopen tussen keuken en terras en daar ben ik dankbaar voor. Mijn moeder praat met mijn nichtje dat tranen in haar ogen heeft. Het gaat niet goed met haar. We liggen er met zijn allen wakker van.
Mijn blik dwaalt af. Hij staat met een sigaar in zijn gekwetste hand te praten en te gesticuleren. Het gaat over zijn schilderijen, ik zie het aan de uitdrukking op zijn gezicht. Mijn vriendin luistert naar hem. Ik bewonder haar knalrode haar dat alle kanten uitsteekt. Haar bomma-kleedje spant om haar lichaam. Ze heeft een buikje. Haar handen ervoor gehouden, antwoordt ze hem. Er wordt gelachen. Ik kijk naar hen beiden en voel hoeveel ik van hen houd.
A. zit naast me. Graatmager met haar grote blinkende zonnebril op. Ze lacht. Ik heb zin om haar eens goed vast te pakken. Ook zij heeft haar problemen.
Andere A. glimlacht naar me en zegt hoe blij ze is dat ik haar uitnodigde. Ik knik enthousiast. Het is de derde keer dat ik haar zie maar ze voelt al heel fijn. Gescheiden. Net als ik. Net als vriendin met het rode haar. Net als A. Net als het nichtje.

Verbaasd tel ik even. Hoeveel van mijn vrienden zijn er nog gehuwd? Ze zitten in ieder geval vandaag niet op dit feestje.
Gek. Hoe ik plots tot het besef kom dat ik met een boel single (gescheiden) vrienden omga.

Vrij laat op de avond komt oude vriendin nummer twee nog langs. Het is vier jaar geleden dat ik haar terug ontmoette, toen na 15 jaar … We waren als één in het secundair. Elke dag samen naar school fietsen en in het weekend samen uitgaan. Haar levensweg was zo moeilijk dat zij van mijn radar verdween. En toen het mijne de dieperik inging, verscheen zij terug. Vandaag praten we. Onze zonen lopen roepend en schietend achter elkaar aan en voor we het weten tonen we weer wat er binnen leeft en lieft.

‘s Avonds lig ik naast zoonlief te mijmeren.
Mijn feestjes van de laatste jaren zijn anders dan die van vroeger. Rustiger. Liever. Zachter.
Met veel gekwetste mensen die zo schoon en lief zijn. Verschillend. Met dikwijls schrijnende verhalen. Verhalen die ik vier jaar geleden niet zou horen omdat mijn muur toen zo dik was dat niemand het waagde er zichzelf tegenaan te gooien.

Ze zijn mijn gekwetste vogels. Allemaal wat bang en geschonden. Maar met sterke vleugels waaronder wij kunnen schuilen bij noodweer.
Ik zie ze graag.
Mijn mooie gelittekende vrienden.
Ze zijn mijn familie Mijn clan. Mijn groepje.

Ze landen af en toe op mijn terras. Krijgen wat water. Sterken hun vleugels wat aan. Vliegen verder.
Terwijl ik wuif en hen de hoge blauwe lucht ‘inaanmoedig’.

Nu en dan vlieg ik ook. Nog niet altijd zo hoog. Maar ooit zijn mijn vleugels als de hunne.
En zal ik weer helemaal mezelf zijn.
Zoals ik dat vandaag was.
Ik ben rijk …

Toen ik vijf jaar was, had ik mijn eerste grote kledingrel met mijn moeder. Ik wilde een rood met witte bollen tirolerjurkje en zij vond het maar niks. Naar het schijnt heb ik de hele winkel op stelten gezet voor dat kleedje. Nu was (en is) mijn moeder niet het type dat toegeeft aan kinderlijke driftbuien maar mijn grootmoeder deed een goed woordje en dus kreeg ik het kleedje.
Tegen de zuster van de derde kleuterklas vertelde ik over de ‘rel’ en zo kon ik ‘s avonds trots en waarschijnlijk een beetje grijnzend vertellen dat ‘ons zuster het een heel mooi kleedje vond.’
Met andere woorden, ik had een goede nonnensmaak in die dagen.

De kledingconflicten verbeterden er niet op. New wave was niet aan mijn moeder besteed en opvallende jurken en oorbellen nog minder. Ik heb van haar maar 1 keer een klap gekregen en dat was dan waarschijnlijk nog van het schrikken. Ik liet op mijn vijftiende mijn haar scheren waarbij er van mijn ruglange communiehaar enkel nog een nekvlechtje met een kraal overschoot. Ze herkende me zelfs niet meer toen ik de keuken binnenstapte.

U ziet het: mijn moeder en ik hebben de nodige woelige modebaren overleefd.
Tegenwoordig laat ze me al wat doen. Zolang het niet te kort is of echt verschrikkelijk zwijgt ze. Wat ik zeer aangenaam vind. Ondanks haar zwijgen weet ik best goed hoe ze erover denkt.

Enkel een aantal weken geleden kon ze het toch niet laten. Ik vroeg haar op een miezerige zaterdagnamiddag of ze mij wilde vergezellen naar een vintagewinkel. Ik vertelde haar dat ik een kleed nodig had om op 13 en 20 juni op te treden. Dat kleed had ik gezien op de fb-pagina van mijn (sedert een aantal maanden) favoriete winkel.

Bij het zien van de etalage was ze zelfs redelijk enthousiast. “Echt iets voor jou” klonk het. Mijn moeder kent mij. Absoluut!
Ze zocht mee, ze keek mee, ze beoordeelde, ze vergeleek … Het was echt een fijn moment.

Toen ging ik passen.
De jurk zat wat strak.
(Verdriet doet me snoepen en zo ‘won’ ik bijna 7 kilo op twee maanden tijd)
Een maat groter dan maar.
De jurk paste als gegoten.
Tot ik betaalde en we buiten gingen.
“Amai, Iris, das een maatje dat je nog nooit had, hee”.

Yep. Mijn moeder!