Angst is maar voor even … spijt is voor altijd …

De stilte valt. Wat ongemakkelijk Wel verwacht. We hebben mekaar niet zoveel meer te vertellen.

Wanneer we dan toch eens een gesprek hebben,  wordt er altijd veel duidelijk. Er is geen spijt meer. Ook geen verdriet. Er is weer hoop. Ik ben niet meer bang. Er is geen angst. Er is zekerheid. Overtuigdheid.

Ik verloor de strijd. En dat is heerlijk. Want dan is er ook geen strijd meer. Dan is er geen intense eenzaamheid. Dan is er vrede.

Ik kom thuis. Bij mezelf. In mijn lijf. De boosheid ketst op me af. De verontwaardiging krijgt geen kans. Ik nip van de witte wijn. Ik trakteer een Leffe.

Mijn blik is zuiver. Objectief. Realistisch. Dat geeft een nieuwe kijk. Een nieuwe zekerheid. Een scheutje hoekonik met een vleugje waaromzagikdatniet sijpelt langs mijn hart naar mijn maag. Ik verdrink het met wijn.

Angst is maar voor even. En spijt is voor altijd. Maar verdriet gaat over. Weg is dat.

 

Advertisements

Het zothuis

Plaatselijke supermarkt op vrijdagmiddag. De winkel is vrijwel leeg. Enkele niet-hongerigen shoppen dapper op deze mooie zonnige dag. Oude man wandelt binnen. Hij praat erg luid in zichzelf. Hij roept tegen de koeken en de ontbijtgranen. Zijn boze toon vult de rekken.

Even maak ik oogcontact maar hij stampt vastberaden verder richting de diepvriespizza’s.

Wanneer ik achter hem sta aan de kassa, krijgt hij ruzie met de winkeljuffrouw. Een paar vloeken met God erin ontsnappen zijn lippen. De juf wordt rood en begint wat te stotteren. Een andere winkelhulp schiet te hulp. Het wordt bijna een schermutseling waaraan de grote gestalte van de winkelverantwoordelijke een einde maakt.

Boos baggert de scheldende man naar buiten.

Ik hoor hoe het incident wordt toegelicht aan de omstaanders. Meneer wou een kar meenemen want hij geraakte met zijn boodschappen niet thuis. De winkeljuf wees hem op de onmogelijkheid van zijn verzoek en de kar werd krachtig geweigerd. Er wordt gezucht en wat gemompeld.

Ondertussen handelt ze mijn boodschappen af. De winkelverantwoordelijke zegt met de handen in de zij: “Ach, die mensen … dat is erg.” Het meisje antwoordt terwijl ik mijn code intik: “Ja, en ze zeggen hier dat hij niet meer binnen mag in het zothuis!”. Mijn wijsvinger aarzelt boven het toetsenscherm. Ze gaat verder: “Dan moet het al wel erg zijn, hee, als ge al nimmer binnenmoogt in het zothuis.”

Ik hoor het goed. Ze gebruikt werkelijk dat woord. Weliswaar niet beter wetend (hoop ik toch!) maar desalniettemin komt het echt uit haar mond.  Ik slik. Nu is het mijn beurt om te zuchten en te mompelen.

Wanneer ik mijn winkelkar wegzet, hoor ik het gesprek tussen de boze meneer en enkele passanten. Ik aarzel. Blijf even stil staan. Hij blijft vloeken en tierend zijn verontwaardiging spuien.

Dan raap ik de moed bij mekaar en stap ik op hem toe.

“Ik hoor dat je niet thuisgeraakt. Ik wil je gerust brengen!” Hij stopt met praten en kijkt me aan. “Meent ge dat?” zegt hij nasaal en luid. Mijn knikken doet hem wat verbaasd van boven naar onder kijken. “Moet ik daar voor betalen?’. Ik ontken en zeg dat ik dat heel graag voor hem wil doen. Voor hij het goed en wel weet, hebben de omstaanders zijn zak in mijn koffer gezet. Zijn blikje bier is nog halfvol.

Van mij mag hij dat in de auto opdrinken.

We rijden richting Zoersel. Daar is hij opgenomen. De psychiatrie … of het zothuis zoals men dat in de bepaalde volksmond nog zegt.

Hij blijkt geen hij te zijn. Hij is een mevrouw. En zij drinkt. Veel. Mag niet meer bij haar moeder binnen. Zegt dat er ‘gepikt’ wordt op de afdeling. Dat men al haar kleren achter slot en grendel zet alleen omdat men haar zogezegd wil helpen. Dat de hond is gestorven.  Dat er meerdere honden gestorven zijn. En dan komen de tranen. Het blikje bier is leeg. Het gemoed is vol.

Mijn auto vult zich met de geur van dagenlang gedragen en gekregen kledij. Met snot en waterlanders. Met bier en verdriet.

De grens is dun. De lijn is wankel. Voor je het weet zit je daar. In het zothuis. Omdat het leven klote is, zoals zij zegt. Omdat je boos bent. Gekwetst. Ongelukkig. Arm. Depressief.

Na een korte zwaai en dank je wel, rijd ik weer richting huis. Met ontdooide pizza in de koffer. Ik zet de ramen wijd open. De geur van psychiatrie vult mijn neusholten.

Onverwacht staan mijn ouders geparkeerd in het dorp. Ik zwaai en zij zwaaien terug. Bronski Beat zegt de rest. Ik zucht en mompel.

Ik heb geluk. Ik geraakte uit het zothuis….

 

Het ging tot nu toe zo goed.

Dat bedenk ik me terwijl ik twee keer heen en weer wandel. Aarzel. En weer wandel.

Het was al minstens twee weken geleden. Ik herinner me het gevoel van zachtheid, zaligheid en heerlijke weldoening. Dat zo iets kleins me dat gevoel kan geven. Het smelten. Het proeven. Het tasten. Het smaken. De lichtheid van het bestaan als het ware.

Wat verlang ik. Snak ik. Wil ik. Voel ik. Moet ik.

Hartstochtelijk schud ik een innerlijke nee. Nee. Nee. Nee. Verzet je! Verman je! Vervrouw je?

Ik blijf heen en weer lopen. Het lonkt. Vlijt. Verleid. Het lijkt me te roepen. Kom hier! Neem me! Proef me! Zoek me.

Uiteindelijk geef ik toe. Neem mijn tas en betaal. Met wat gezeur in het achterhoofd geef ik toe aan de verleiding. Ach … volgende keer zal ik er voorbij lopen. Dan zal ik me verzetten tegen de innerlijke roep. Tegen het heerlijke gevoel dat ik ga krijgen zo gauw mijn smaakpapillen gestreeld worden.

Ik ben verslaafd.

(bedenk ik me wanneer ik met 250 gram Manon-witte-Leonidaspralines op de stoep sta)

Ik wil niet wachten …

 

 

En zo zit ik dus al bijna twee maanden thuis. Correctie: lig ik thuis. Dat is in het begin ontzettend leuk. Geen verbeterwerk, geen planning maken, geen leerlijnen uitstippelen voor kinderen die onder het M-decreet vallen, geen toezichten, geen vermoeidheid of pijn…

In januari koos ik ervoor om mijn huis te ontmesten. U leest dat goed. Ont-mes-ten. Mijn woning is een paradijs voor mensen die nostalgie en weemoed hoog in het vaandel dragen. Elke dag rommelde ik een half uurtje in elke kamer. Dat het na een maand zo goed als voor mekaar is zegt iets over de grootte van mijn woonst.

Marie Kondo-gewijs baande ik me een weg tussen oude souvenirs en het verleden. Ik ontdeed me van nodeloze spullen en ging te werk volgens het motto: word ik er gelukkig van en/of heb ik het nodig? In die volgorde, ja. Want sehnsucht en craving poets je er niet zo maar uit.

Het is een heerlijk gevoel. Rondkijken en weten dat er zelfs tot ín de kasten orde is. In mijn leven is dat een unicum. Ik geef mezelf een pluim. In de orde van lido en Riodansers. Met pompons en benen in de lucht.

Nu is het dus februari. Ik verveel me. Ik kijk voor de tigste keer naar Dawson’s Creek en erger me voor de zoveelste keer aan die Joey die niet voor Pacey kiest. Ze mag hem altijd eens bij me langs sturen hoewel ik vorige vrijdag leerde dat hij een hele stoute man is in The Affair. Waarvoor ik me misschien toch Netflix moet aanschaffen.

Ik verdiep me in House Rules seizoen drie. Waarvan ik al lang weet wie er gewonnen is.

Nieuwe series roetsjen voorbij mijn afstandsbediening. en ik verveel me. O wat verveel ik me.

De mogelijkheden zijn niet legio. Ik heb nog steeds erg veel pijn. Terwijl de dokter zegt dat de zenuw is hersteld en dat er geen druk meer is op de hernia. Een uur op een stoel zorgt ervoor dat ik twee uur moet platliggen. Echt platliggen waarbij tv kijken of lezen zeer moeilijk is.

Zou ik gaan voor een derde opinie? Of leg ik me er bij neer (letterlijk) dat dit de toekomst is? We beginnen aan maand acht… En ik ben het beu. Zo beu! BAH!

Sedert een paar maanden kan ik u exact vertellen wat een pijn een beschadigde zenuw veroorzaakt. De cortisonespuit die me terug wat rechter en fitter had moeten maken werd rechtstreeks in de zenuw geïnjecteerd waardoor die nu kapot is.

Herstellende, gelukkig! Maar toch zeer pijnlijk met stukjes zeer erbij.

Ik kan dus letterlijk zeggen dat er iets op mijn zenuw(en) werkt. Nu ja … werken is er eigenlijk ook niet bij. Vorig weekend was het één uur examens verbeteren, twee uur liggen… in dat ritme, aan dat tempo.

Terwijl de nieuwe dokter me veertien dagen ziekenverlof wilde voorschrijven, pretendeerde ik onmisbaar te zijn en vocht ik mezelf de klas in. Waar ik natuurlijk roemloos ten onder ging en zelfs eindigde in vervroegde thuiskomst zonder lauwerkrans maar mét een medaille voor onmiskenbaar overschatten van mijn kunnen.

En nu zit ik dus thuis. Net cortisonespuit nummer twee van de nieuwe dokter gehad en rechter en fitter dan ik in maanden was. En moe … onvoorstelbaar moe …

Twaalf uur geslapen deze nacht. Zonder pijn. Mogelijkheid tot omdraaien zonder luidkeels au en oei te zeggen. Niet meer vloekend en kreunend en steunend rechtop komen. Het deed deugd. Tranentrekkend deugd.

Er is ruimte voor boos. Boos op dokter en chirurg nummer één. Blijven beweren dat de zenuw misschien wel een ‘kleine kietel’ gekregen heeft maar zeggen dat het wel in orde komt. “En dan zien we mekaar terug na mijn verlof in januari”.

Ik d.a.c.h.t. het niet …

En nu de vraag na dit lange betoog: wat doet u? Gaat u naar de ombudsdienst van het ziekenhuis of denkt u zoals ik “Ach, het zal wel een menselijke fout zijn”. Terwijl ik nu info krijg dat cortisone rechtstreeks in de zenuw kan zorgen voor verlamming.

Watdoetu?

 

 

Happy

De laatste weken voel ik me opgelucht. Bevrijd. Nieuw. Levend. Dat heeft niet te maken met mijn lijf. Dat protesteert nog steeds. De pijnstillers stapelen zich op en zorgen voor een minderpijnlijk bestaan.

Dit gaat over mijn hart. Mijn hoofd. Mijn buik. Mijn ziel.

Dat ik van mijn huwelijken niet meteen een succes kon maken is algemeen bekend. Dat heeft lang gewogen. Zwaar. Diep. Heavy. Not happy dus.

Ik zwelg soms. In narigheid en navelstaarderij.

Deze zomer was het weer zover. X-mangewijs kan ik een gat boren in mijn navel terwijl ik staar. Een onderdompeling werd het weer. Zo eentje waarvan je longen bijna barsten.  Waarbij je je ogen openspert en snakt naar verluchting. Waarbij je denkt ‘dit lukt nooit meer’. Heerlijk is het dan om boven water te komen en met diepe gulzige teugen zuurstof te krijgen.

Op verschillende manieren. In verscheidene situaties.

Gisterenavond realiseerde ik me een heerlijke waar-heid. Mijn vriendschapsrelaties zijn levenslang en durend. Dat geluk heb ik. Wanneer het me niet goed af gaat, schieten de vrienden in actie en zijn ze mijn zwembandjes in het diepe zwarte water dat kolkt. Daar kan geen ‘liefdesleven’ tegenop. Ze zijn er. Ze zijn d.a.a.r.

Ook wanneer ik, zoals gisteren dus, doordram over bepaalde gebeurtenissen. We lachen en we zijn ironisch, we bevestigen en ontkennen elkaar. We porren, we duwen, we strelen, we aaien … we maken mekaar en onszelf beter.

Ook wanneer ik om kwart voor elf al vraag of het goed is dat we naar huis gaan. Lang zitten op een caféstoel is pijnlijk en het strekken van de benen gaat moeilijk met die lange van mij. Ze knikt en lacht. Doet haar jas aan. We kibbelen even over de rekening. We rijden richting huis. En babbelen nog minstens drie kwartier in het duister van de auto en de nacht.

Waarna ik me met een pijnlijke rug op de zetel plof en ook minstens drie kwartier met een wasmand vol kussens onder de benen ontspan.

Ik zie ze graag. In goede en slechte tijden, in ziekte en gezondheid, in armoede en rijkdom.

 

 

 

Wat hij zegt …

Als fervent Canvaskijker ben ik helemaal weg van Alleen Elvis blijft bestaan. Thomas doet dat goed en zijn gasten zijn telkens verrassend en boeiend.

De ene al wat meer dan de andere natuurlijk.

Gisteren werd ik ontzettend geraakt door de uitzending met Johan Heldenbergh … Wat een mooie man. Hij heeft een bepaalde aantrekkelijkheid door het uit proportie zijn. Schoon van lelijkheid zoals ze dat grofweg in het plat Antwerps zeggen.

Dat vond ik vroeger al. En nu nog des te meer.

Hoe hij praat over de ontplofte kelder die depressie is en hoe hij angstig blijft voor de afgrond die lonkt en roept. Wat herken ik dat.

Wat herken ik dat …