Wat hij zegt …

Als fervent Canvaskijker ben ik helemaal weg van Alleen Elvis blijft bestaan. Thomas doet dat goed en zijn gasten zijn telkens verrassend en boeiend.

De ene al wat meer dan de andere natuurlijk.

Gisteren werd ik ontzettend geraakt door de uitzending met Johan Heldenbergh … Wat een mooie man. Hij heeft een bepaalde aantrekkelijkheid door het uit proportie zijn. Schoon van lelijkheid zoals ze dat grofweg in het plat Antwerps zeggen.

Dat vond ik vroeger al. En nu nog des te meer.

Hoe hij praat over de ontplofte kelder die depressie is en hoe hij angstig blijft voor de afgrond die lonkt en roept. Wat herken ik dat.

Wat herken ik dat …

 

Advertisements

Ver-trouw-d

Een beetje geïrriteerd loop ik op het perron. Het is zes jaar geleden dat ik dit station bezocht en ik herken niets meer. Breda is ver van vertrouwd geworden.

De telefoon. Hij vraagt me waar ik ben. Ik zie waar hij is.

Na zes jaar is zijn gestalte me nog altijd bekend.

Daar is ie weer. Mijn Hollandse tuinkabouter. Deze keer definitief op het vasteland.

En verliefd.

Even kriebelt het. Hij was mijn laatste grote liefde. De liefde die alles ondersteboven draaide. Inclusief mijzelf. Hij heeft me verpest voor de liefde.

Wanneer hij vertelt over zijn nieuw lief met de Russische naam die, vertaald, hetzelfde is als mijn naam, lachen we. Dat zoiets kan. Hij is eindelijk samen met een iris. Alleen ben ik het niet, deze keer.Hij toont me een foto. Heel klein, fijn en blond. Ze is mooi. Ze lacht lief.Ik zie hoe hij naar haar kijkt. Wat fijn, zeg ik. Wat fijn voor jou.

Hij bloost en kijkt even weg.

Ik bal mijn vuisten en maak een overtuigd YES-gebaar. Hij twijfelt.

“Eindelijk een iris die wint.Het is dan wel niet ‘ik’ maar iris wint! Go Iris go!”

Hij slaat zijn hoofd achterover en lacht luid.

We lachen ons tranen.

Van veel plezier en een beetje heimwee.

Ik dan toch.

Moe-der

Als een jongetje loopt hij door mijn huis. Deze bijna vijftigjarige grijze man die net onder mijn arm kan lopen. Hij zucht. En zucht. Heel diep.

Dat kan hij goed. Als een kind dat huiswerk moet maken of zijn kamer moet opruimen. Alleen gaat het bij hem om graag leven en blij kunnen zijn. Dat vindt hij moeilijk.

Hij glimlacht wanneer ik naar hem kijk. Een mooie grimas. Hij kan het niet laten om even over mijn hoofd te strelen. Ik glimlach terug. Er komt een teder gevoel in mij naar boven. Omdat ik hem wil beschermen tegen de grote boze buitenwereld. Omdat ik bang ben dat men hem pijn doet of kwetst. Dat moedergevoel is allesomvattend groot.

Hij maakt zich klaar voor de uitstap. Naar de grote stad. Kunst bekijken ofzo. Dat doet hij graag. Dat maakt hem blij. Ik supporter bij dat klaarmaken. Ga, lief, ga.

Mijn schouders trekken op. Mijn maag zet uit. Mijn borst ademt kort en ondiep. Ik vergat dat ik er moe van zou worden. Erg moe. Moe-der dan moe.

Een vijftigjarig kind is niet altijd gemakkelijk om te dragen. Dat weegt door.

Wat doe je met een aanbod grote liefde?

Wat doe je met moe-heid?

Loslaten, zeggen de boekjes. Laat dat nu net iets zijn dat ik heel moeilijk vind. Waar ik heel moe van word.

Ik loop door het huis. Ik zucht. En zucht. Heel diep.

Daar zit je dan. In Cambridge Massachusetts. Met je zakdoek in je mond gepropt te snikken alsof je leven ervan afhangt.

We gingen dus naar de film in Boston. We aten eerst in een zeer chic visrestaurant. We renden door de Red Line, We manoeuvreerden tussen hoge bergen opgestapelde sneeuw langs voetpaden. We hijgden toen we bijna te laat de filmzaal binnendenderden.

Toen stopte alles en kwam ik tot rust. Diep ging ik. Zo diep. Met Moeke op mijn netvlies keek ik naar een sublieme, ronduit schitterende Julianne Moore. Wat een mooie vrouw. Wat een présence. Wat een …

Ik kon het niet houden. Wat een tsunami kwam er weer uit.

Ik drukte de zakdoek hard tegen mijn mond, probeerde mijn ademhaling te regelen en kronkelde van gène naar rechts waar een lege stoel soelaas bood.

Hij drukte zachtjes mijn hand maar deed ze weer snel weg.

De intensiteit verdween allang. Het was jaren geleden dat hij me zo zag.

Tijdens de aftiteling durfde ik niet te kijken. Hij snufte net zo luid als ik. We stonden recht toen de zaal bijna leeg was. Buitengekomen moest het eruit. Tegen zijn schouder aan huilde ik diep vanuit mijn onderbuik. “Kom op” zei hij.

Plots realiseerde ik me dat liefde kan verdwijnen. En dat dat niet erg is.

Het was goed.

(En ja, Julianne Moore mag van mij een oscar krijgen!!)

Met zijn voeten op mijn schoot kijken we Sinbad. Hij zucht en snuft. Ziek thuisgekomen uit vakantie.
Ik leef me uit in onder het deken stoppen, zakdoek halen, hoofdje wrijven en zachtjes lieve woordjes fluisteren.
Ik ben blij. Hij is thuis.
Hij is minder blij. Ziek zijn is niet fijn. Maar hij wordt graag vertroeteld en verwend.
Doen we dus!

Mijn Hollandse tuinkabouter

Hij neemt mijn hand en drukt ze zacht. Ik knijp glimlachend terug. Lachen is het sleutelwoord. Mijn wangen doen er pijn van.

Het is een fijn gevoel. Ik lach graag.
Terwijl hij me jaren geleden erg heeft doen huilen. De eerste man die me ‘dumpte’.
Die twijfelachtige titel krijgt hij.
De eerste man waar ik ‘over’ geraakte. Dat is hij ook.

“We bouwden een droomwereld”, zegt hij. En dan lachen we allebei weer.
Het was zo. ‘We’ konden geen realiteit zijn.
Een Nederlandse Amerikaan of een Amerikaanse Nederlander. Kies maar hoe je hem noemt, die naam betekent redelijk onbereikbaar, niet?

Af en toe spreken we nog eens af. Wanneer hij ‘op het continent’ is, so to speak.
Dan wil hij hele andere dingen dan ik, if you know what I mean.
Ik glimlach dan en wrijf medelevend over zijn arm, I’ll stand my ground.
Enkel vrienden nog, yes we can!
We made a deal!.

Hij maakte me blij op een moment dat ik alleen maar kon huilen. Hij liet me zien hoe het ‘wel’ kan. En daar zal ik hem altijd dankbaar voor zijn.
Maar this ship has sailed en nu zitten we ashore.

Hij blijft mijn Hollandse tuinkabouter.
Dat kleine mannetje dat zijn nationaliteit enkel in lengte geen eer aandoet.
Hij was lief.
Ooit mijn lief.
Nu lief.

Nu is er een ander mijn lief. En lief.
We proberen het nog een keer. We zien wel waar we stranden.
Ik bouw een nieuwe wereld.
De mijne …

Mijn zakdoek ligt nat en verfrommeld in mijn rechterhand. Hij knijpt zachtjes in mijn andere. Ik laat de tranen even stromen en kijk hem dan glimlachend aan. Hij draait wat met zijn ogen en kijkt naar zijn linkerkant. “Mama huilt weer”, mimet hij naar zijn vader.
Ik kijk naar links en zie hoe hij heel stevig onze beide handen vastheeft. Ik manoeuvreer een beetje, zodat mijn hand die van zijn vader niet raakt. We raken elkaar nu bijna drie jaar amper aan. Het is ook niet meer nodig dat te doen.

Het beeld is bijna symbolisch. Ik zie hoe die grote liefde waarin ik jaren rotsvast geloofde verenigd wordt in datgene wat ons altijd dierbaar blijft. Onze zoon. Wijzelf bestaan al even niet meer en verwijderen hoe langer hoe meer van elkaar. Maar dat kind dat we samen maakten zal ons altijd verbinden.

We doen ons best. Zaterdag drie uur en een half met de ‘ooit’ man van mijn leven in een helse binnenspeeltuin. Zoonlief straalt. Zondag naar het schoolfeest van een naburige school omdat we samen met de zoon willen beslissen welke secundaire school hem binnen twee jaar zal passen. Vanavond naar Kinepolis met een Quick vooraf.
Het zijn vreselijke momenten voor mij. Telkens komt dat verdriet naar boven.
Ik zie hoe hij twee keer over zijn baard wrijft voor hij een grapje vertelt. Hoe hij giechelt of luidop lacht met de film. Hoe hij lief glimlacht naar de zoon.
Het is me allemaal zo vertrouwd en toch lijkt het al iets uit een ver verleden. Een verleden dat gekleurd werd door liefde en door haat. Felle gevoelens die niet overleefden.

Mijn leven is vlakker dan vroeger. Rustiger ook. Ik voel hoe ik op mijn plooi ben gekomen, hoe ik mijn evenwicht vind in dit leven. Er blijft dat gemis, maar het is meer een gemis van iets dat lang geleden is dan van iets dat nog kan bestaan.
Ik huil veel dit weekend. Verdriet kan verteren. Maar dat doet het niet meer. Ik laat het komen, laat het stromen. En kijk dan glimlachend naar de mensen om me heen. Die aan de zijlijn supporteren of voluit in mijn kring komen staan om me te dragen en lief te hebben.

Zoonlief werd elf. Wij keken The Monuments Men. Zoon en ik zelfs voor de tweede keer. En weer huilde ik. Met de douche-kerstscene waarin Bill Murray verrast wordt door zijn kompaan die het opgestuurde plaatje draait terwijl het hele kamp hoort hoe zijn familie hem mist en voor hem zingt. Ik snik luidop, met mijn zakdoek in mijn mond om het snikken te smoren. Ik kijk niet naar links omdat ik weet dat hij ook traant.

De cirkel lijkt rond. Terwijl ik 16 jaar stapelverliefd op hem werd toen ik hem zag huilen bij Titanic, neem ik hoe langer hoe meer afscheid bij dit wenen.
Het is voorbij.
Ik ben alleen.

Maar niet eenzaam …