Buik intrekken en borsten vooruit

“Dag knappe dame”, zegt hij heel charmant. Groot en slank met hipsterbaard. Mijn type dus. “Jij kwam de kamer binnen en het stond hier in vuur en vlam.”

Melig? Yep. Er wat over? Yep. Raak? Ook yep.

Er mag nog eens met mij geflirt worden. Er mogen al eens wat flemerijen mijn richting uitkomen. Zeker wanneer het van een knappe kunstenaar met flegma komt. (Zie hoe flemerij en flegma in elkaar floeien).

Hij is knap. En heel aantrekkelijk. Legt nonchalant zijn arm om me heen en zijn hand in mijn zij. “Kijk, wij zouden goed passen!”. Ik lach en voel hoe mijn wangen rood worden. Ik ben het flirten niet meer gewend.

Klein en mager staat de vriend te glunderen. Dat heeft hij weer mooi voor mekaar. Bloem met rode wangen en zijn ego gestreeld. Want die lange knappe kunstenaar maakt geen kans. Dat weet hij.

Hij weet dat ik geen zin meer heb in buik intrekken en borsten vooruit. Liever lekker onderuit gezakt in de zetel het einde van “Blind getrouwd” bekijken. Elkaar beloven dat we tegen niemand zeggen dat we het zagen. Overschakelen naar Canvas en mijn sokken uittrekken om ze op zijn schoot te leggen. Met een dubbele kin en onopgemaakte ogen hangen en cola drinken.

Soms mis ik het om me op te tutten en te verleiden. De hoge hakken en de smokey eyes. De smalle rok met de strakke blouse. De grote ringen en oorbellen. Het dure parfum en gestifte lippen. Het ‘gewoon’ zijn en ouder worden nam het leven wat over.

Het lijkt alsof het dan wat glansloos wordt. Ik. Zelf.

Tot de knappe kunstenaar komt en me lakt met flemerij. Ik glim. Gloed en glooi en glitter. En ga alleen naar huis. Kruip in mijn oude roze badjas en glinster van de nachtcrème. Glamour op vintagewijze. Slaap lekker!

 

 

Advertisements

de kracht van de zwaarte

de schaduw van het licht

de heim van de wee

de blik van zijn gezicht

de zeker van het onweten

de holte van gemis

het weten en vergeten

van de herinnering

zegt me dat het lang geleden is

 

 

 

 

 

Open ogen … zwaar in het hart

Daar loop je dan. Tegen 8 kilometer per uur doorkruis je Beiroet. Af en toe stop je. Kijk je rond. Vervallen huizen, leegstaande appartementen, kapotte stoep, gebroken weg.

De impressies komen binnen op racesnelheid. Ik slik. Ik kijk. Ik beef. Ik zie.

27858612_10156294614485362_5363931385530710617_n

We betreden een Palestijns vluchtelingenkamp. Niets is zoals ik het van tv ken. Kinderen fietsen in smalle straatjes en vrouwen koken met het raam open waardoor ik zie dat er heel weinig plaats is in het kleine gepleisterde huisje dat deel lijkt uit te maken van een gigantische aan elkaar gebouwde stenen stad.

Ik glimlach naar ieder die ik zie. Enkel de kinderen beantwoorden mijn lach. De volwassenen kijken ernstig, soms wat verwijtend lijkt het mij. Wat komt die lange blanke vrouw hier doen, lijken ze te denken. Dat ik vergezeld word door een kleine Nederlander met de wereld in zijn vizier is een niet te matchen combinatie.

Hij vertelt honderduit. Over hoe de Palestijnen naar hier gevlucht zijn. Over hoe Syrische vluchtelingen worden uitgebuit en aangenomen voor de meest vieze, rotte klusjes. Hoe ieder die het zich kan permitteren een housemaid heeft. Ik zie die van de overburen drie grote Perzische tapijten om de twee dagen over het balkon hangen en uitkloppen alsof ze haar Nemesis zijn. Haar ras is me niet helemaal duidelijk maar ze is donkerder dan de andere mensen op straat.

Wanneer we in een Hesbollah-wijk lopen, zie ik grote posters van jongens en mannen met indrukwekkende geweren en dan wordt het zwaar in mijn hart. Ik zie kogelgaten in huizen, restanten van de burgeroorlog. We lopen voorbij een wapenwinkel, waar een kanjer van een geweer trots de etalage siert. Rillingen lopen over mijn rug en ik vermijd oogcontact en neem stiekem foto’s.

28217367_10156301513295362_887124759_o

Arabisch is een onbegrijpelijke taal. Sjoekran leer ik … het betekent dankjewel. Een belangrijk woord is dat. Ik gebruik het veel. Terwijl de ober mijn sjiek Frans ontbijt brengt, terwijl ik tussen de Diorwinkel en Michael Kors een blingblinghandtas koop waarvan mijn moeder achterover zal vallen. Terwijl ik neen schud naar de donker getinte mannen die me een taxi of rit willen aanbieden. Wanneer ik betaal aan de kassa van een supermarkt die net als thuis Dove shampoo en Oreal conditioner verkoopt.

Mijn voeten doen pijn. Een grote stad verkennen met een marathonloper is een ongekend uitdagend parcours. Zeker wanneer het een oud lief is, waar je toch nog steeds aan wil tonen dat het lijf waarop hij acht jaar geleden verliefd werd in goede staat bleef … Wat niet waar is en wat hij dan ook meteen merkt.

Ik voel me oud en Vlaams en rijk en anders.

In Beiroet verloor ik niet mijn hart. Maar het werd wel geraakt. De indrukken blijven binnenkomen en zullen waarschijnlijk nog een hele tijd nazinderen.

Mijn wereldverbeterende aard werd een hele tijd geleden ondergesneeuwd door levensverbeterende noden. Maar hij zit er nog. Ik ontmoette hem weer in Libanon.

 

Ziel-ig

Alleen ziek zijn is zielig. Mijn lakens moeten verschoond worden omdat ik zweet alsof ik in een heet bad lig. Dat ik trouwens ook voor mezelf moeten laten vollopen. Zonder eucalyptus want dat vergat ik in huis te halen en er is niemand die dat instant voor me doet.

Kreunend en steunend hijs ik me een losse kledij (want een jeans is zo pijnlijk met een pijnlijke buik) en rij ik auto-gewijs naar de de Albert Heijn voor broodjes want morgen wil ik echt wel terug gaan werken.

Lang leve de online doktersafspraken die een telefoontje overbodig maken. Lang leve de online agenda’s die ervoor zorgen dat mijn collega’s weten wat ik van plan was met mijn leerlingen vandaag. Voor wie ik me ook onmisbaar voel want ocharme de dutskes.

Wat voel ik me zielig. Ik wil een kopje warme thee met citroen dat ik niet zelf moet maken. Ik wil een hand die mijn rug streelt en me langzaam in slaap wiegt. Ik wil warmte die niet afkomstig is van een warmwaterkruik mét neppelsje (lees dat woord eens tien keer na elkaar).

Gelukkig is er Alicja met haar prachtige programma. Ideaal om te kijken met koortsig hoofd en zakdoekenneus. De kat spint zich tegen mijn buik en knort me de gezelligheid in. Ik ontspan. Ik word ziek. Ik ben het al.

 

Geweld(ig) huishoudelijk

De laatste dagen komt het weer veel op mijn weg.
Geweld.
De onrechtvaardigheid ervan.
Vooral het volkomen machteloos gevoel dat je hebt wanneer het je overkomt.

Ik begrijp dat niet. Dat een man zoiets kan doen.
Ik begrijp dat echt niet.

Ik begrijp wel de vrouwen die bij zo’n man blijven.
Die denken dat het maar éénmalig is. Dat het wel overgaat.
Hij meent het niet zo. Vanbinnen is hij een goede man.

En het ergste verontschuldigende argument: Het is mijn eigen schuld. Ik verdien dit. Ik begrijp hem wel …

De afgelopen dagen word ik weer helemaal door elkaar geschud.
Mannen die er vanbuiten heel aantrekkelijk, slim, gevoelig, betrokken en boeiend uitzien, kunnen zodanig veel geweld gebruiken dat een vrouw erdoor verandert voor de rest van haar leven.

Het is wraakroepend. Het brengt iets slechts in mij naarboven. Ik blijf achter met een wrange nasmaak in mijn mond …

Ik begrijp het niet. Ik begrijp het echt niet.

Hij kijkt over zijn brilglazen met liefde. Ik kijk met een glimlach over mijn sederkortleesbrilogen-bril terug.

Hij geeft me een lied(je). Iets met een zwoele bas, een trage drum en een slepende piano… Datgene waarvoor ik smelt. Altijd al. Nu ook weer.

“Dans jij soms?” vraag ik.
Hij lacht en schudt.

Ik krop even. Denk aan de kracht van mannelijke armen. Hoe een hand in je rug je probleemloos in een bepaalde richting duwt. Een voorhoofd dat op je schouder rust. Een hoofd dat warm drukt in de holte van je oor en hoofd. Sensueel. Zinnelijk. Een wereld die enkel uit twee mensen bestaat. Eén gevoel. Eén zijn.

Ik traan even. Een gemis dringt zich wederom richting buik en ziel. Ik ontdek elke dag meer unieke dingen in de relatie van toen en de relatie van nu.

We dansen niet. We duwen niet. We zingen niet.

Maar we voelen.
Meer dan we ooit zullen weten.
Ik wil niemand anders.
Ik heb niemand anders nodig.
Ik hou van iemand. Meer dan hij ooit zal weten.

Toen ik vijf jaar was, had ik mijn eerste grote kledingrel met mijn moeder. Ik wilde een rood met witte bollen tirolerjurkje en zij vond het maar niks. Naar het schijnt heb ik de hele winkel op stelten gezet voor dat kleedje. Nu was (en is) mijn moeder niet het type dat toegeeft aan kinderlijke driftbuien maar mijn grootmoeder deed een goed woordje en dus kreeg ik het kleedje.
Tegen de zuster van de derde kleuterklas vertelde ik over de ‘rel’ en zo kon ik ‘s avonds trots en waarschijnlijk een beetje grijnzend vertellen dat ‘ons zuster het een heel mooi kleedje vond.’
Met andere woorden, ik had een goede nonnensmaak in die dagen.

De kledingconflicten verbeterden er niet op. New wave was niet aan mijn moeder besteed en opvallende jurken en oorbellen nog minder. Ik heb van haar maar 1 keer een klap gekregen en dat was dan waarschijnlijk nog van het schrikken. Ik liet op mijn vijftiende mijn haar scheren waarbij er van mijn ruglange communiehaar enkel nog een nekvlechtje met een kraal overschoot. Ze herkende me zelfs niet meer toen ik de keuken binnenstapte.

U ziet het: mijn moeder en ik hebben de nodige woelige modebaren overleefd.
Tegenwoordig laat ze me al wat doen. Zolang het niet te kort is of echt verschrikkelijk zwijgt ze. Wat ik zeer aangenaam vind. Ondanks haar zwijgen weet ik best goed hoe ze erover denkt.

Enkel een aantal weken geleden kon ze het toch niet laten. Ik vroeg haar op een miezerige zaterdagnamiddag of ze mij wilde vergezellen naar een vintagewinkel. Ik vertelde haar dat ik een kleed nodig had om op 13 en 20 juni op te treden. Dat kleed had ik gezien op de fb-pagina van mijn (sedert een aantal maanden) favoriete winkel.

Bij het zien van de etalage was ze zelfs redelijk enthousiast. “Echt iets voor jou” klonk het. Mijn moeder kent mij. Absoluut!
Ze zocht mee, ze keek mee, ze beoordeelde, ze vergeleek … Het was echt een fijn moment.

Toen ging ik passen.
De jurk zat wat strak.
(Verdriet doet me snoepen en zo ‘won’ ik bijna 7 kilo op twee maanden tijd)
Een maat groter dan maar.
De jurk paste als gegoten.
Tot ik betaalde en we buiten gingen.
“Amai, Iris, das een maatje dat je nog nooit had, hee”.

Yep. Mijn moeder!