Ziel-ig

Alleen ziek zijn is zielig. Mijn lakens moeten verschoond worden omdat ik zweet alsof ik in een heet bad lig. Dat ik trouwens ook voor mezelf moeten laten vollopen. Zonder eucalyptus want dat vergat ik in huis te halen en er is niemand die dat instant voor me doet.

Kreunend en steunend hijs ik me een losse kledij (want een jeans is zo pijnlijk met een pijnlijke buik) en rij ik auto-gewijs naar de de Albert Heijn voor broodjes want morgen wil ik echt wel terug gaan werken.

Lang leve de online doktersafspraken die een telefoontje overbodig maken. Lang leve de online agenda’s die ervoor zorgen dat mijn collega’s weten wat ik van plan was met mijn leerlingen vandaag. Voor wie ik me ook onmisbaar voel want ocharme de dutskes.

Wat voel ik me zielig. Ik wil een kopje warme thee met citroen dat ik niet zelf moet maken. Ik wil een hand die mijn rug streelt en me langzaam in slaap wiegt. Ik wil warmte die niet afkomstig is van een warmwaterkruik mét neppelsje (lees dat woord eens tien keer na elkaar).

Gelukkig is er Alicja met haar prachtige programma. Ideaal om te kijken met koortsig hoofd en zakdoekenneus. De kat spint zich tegen mijn buik en knort me de gezelligheid in. Ik ontspan. Ik word ziek. Ik ben het al.

 

Advertisements

Geweld(ig) huishoudelijk

De laatste dagen komt het weer veel op mijn weg.
Geweld.
De onrechtvaardigheid ervan.
Vooral het volkomen machteloos gevoel dat je hebt wanneer het je overkomt.

Ik begrijp dat niet. Dat een man zoiets kan doen.
Ik begrijp dat echt niet.

Ik begrijp wel de vrouwen die bij zo’n man blijven.
Die denken dat het maar éénmalig is. Dat het wel overgaat.
Hij meent het niet zo. Vanbinnen is hij een goede man.

En het ergste verontschuldigende argument: Het is mijn eigen schuld. Ik verdien dit. Ik begrijp hem wel …

De afgelopen dagen word ik weer helemaal door elkaar geschud.
Mannen die er vanbuiten heel aantrekkelijk, slim, gevoelig, betrokken en boeiend uitzien, kunnen zodanig veel geweld gebruiken dat een vrouw erdoor verandert voor de rest van haar leven.

Het is wraakroepend. Het brengt iets slechts in mij naarboven. Ik blijf achter met een wrange nasmaak in mijn mond …

Ik begrijp het niet. Ik begrijp het echt niet.

Hij kijkt over zijn brilglazen met liefde. Ik kijk met een glimlach over mijn sederkortleesbrilogen-bril terug.

Hij geeft me een lied(je). Iets met een zwoele bas, een trage drum en een slepende piano… Datgene waarvoor ik smelt. Altijd al. Nu ook weer.

“Dans jij soms?” vraag ik.
Hij lacht en schudt.

Ik krop even. Denk aan de kracht van mannelijke armen. Hoe een hand in je rug je probleemloos in een bepaalde richting duwt. Een voorhoofd dat op je schouder rust. Een hoofd dat warm drukt in de holte van je oor en hoofd. Sensueel. Zinnelijk. Een wereld die enkel uit twee mensen bestaat. Eén gevoel. Eén zijn.

Ik traan even. Een gemis dringt zich wederom richting buik en ziel. Ik ontdek elke dag meer unieke dingen in de relatie van toen en de relatie van nu.

We dansen niet. We duwen niet. We zingen niet.

Maar we voelen.
Meer dan we ooit zullen weten.
Ik wil niemand anders.
Ik heb niemand anders nodig.
Ik hou van iemand. Meer dan hij ooit zal weten.

Toen ik vijf jaar was, had ik mijn eerste grote kledingrel met mijn moeder. Ik wilde een rood met witte bollen tirolerjurkje en zij vond het maar niks. Naar het schijnt heb ik de hele winkel op stelten gezet voor dat kleedje. Nu was (en is) mijn moeder niet het type dat toegeeft aan kinderlijke driftbuien maar mijn grootmoeder deed een goed woordje en dus kreeg ik het kleedje.
Tegen de zuster van de derde kleuterklas vertelde ik over de ‘rel’ en zo kon ik ‘s avonds trots en waarschijnlijk een beetje grijnzend vertellen dat ‘ons zuster het een heel mooi kleedje vond.’
Met andere woorden, ik had een goede nonnensmaak in die dagen.

De kledingconflicten verbeterden er niet op. New wave was niet aan mijn moeder besteed en opvallende jurken en oorbellen nog minder. Ik heb van haar maar 1 keer een klap gekregen en dat was dan waarschijnlijk nog van het schrikken. Ik liet op mijn vijftiende mijn haar scheren waarbij er van mijn ruglange communiehaar enkel nog een nekvlechtje met een kraal overschoot. Ze herkende me zelfs niet meer toen ik de keuken binnenstapte.

U ziet het: mijn moeder en ik hebben de nodige woelige modebaren overleefd.
Tegenwoordig laat ze me al wat doen. Zolang het niet te kort is of echt verschrikkelijk zwijgt ze. Wat ik zeer aangenaam vind. Ondanks haar zwijgen weet ik best goed hoe ze erover denkt.

Enkel een aantal weken geleden kon ze het toch niet laten. Ik vroeg haar op een miezerige zaterdagnamiddag of ze mij wilde vergezellen naar een vintagewinkel. Ik vertelde haar dat ik een kleed nodig had om op 13 en 20 juni op te treden. Dat kleed had ik gezien op de fb-pagina van mijn (sedert een aantal maanden) favoriete winkel.

Bij het zien van de etalage was ze zelfs redelijk enthousiast. “Echt iets voor jou” klonk het. Mijn moeder kent mij. Absoluut!
Ze zocht mee, ze keek mee, ze beoordeelde, ze vergeleek … Het was echt een fijn moment.

Toen ging ik passen.
De jurk zat wat strak.
(Verdriet doet me snoepen en zo ‘won’ ik bijna 7 kilo op twee maanden tijd)
Een maat groter dan maar.
De jurk paste als gegoten.
Tot ik betaalde en we buiten gingen.
“Amai, Iris, das een maatje dat je nog nooit had, hee”.

Yep. Mijn moeder!

Platgetreden paden

De hele week bericht men er over. Sanne Putseys neemt al zeven jaar antidepressiva. En ze heet dan ook nog Selah Sue.
Ik ben al een hele tijd redelijk weg van haar stem. Ze zingt speciaal en mooi.
Ze is ook mooi. Mannekeslief … als ik er zo zou uitzien zou ik de hele dag in de spiegel kijken.

Ze lijkt helemaal ok. Succesvol. Rijk aan ervaringen. Lofbetuigingen, zelfs TAFKAP vindt haar ontzettend de moeite.
Dat alles valt in het niets bij haar gesprek in Reyers Laat.

‘t Is een schoon madam. En wat ze zegt is waar. Waarheid. True.

Sedert twee jaar durf ik er ook luidop over praten. Antidepressiva. Psychiatrie. Depressie. Ziekenhuis. Opname.
Je kan dus ziek zijn van verdriet. Van ongeluk. Van afwijzing.
De zwaartekracht trekt je dieper dan ze dat met anderen doet.
Niemand ziet iets.
Kin omhoog. Lachen. Grappen. Luidkeels schreeuwen.
En vanbinnen stilaan sterven.

Ik zat daar ook. Vier jaar geleden.
Het leven was een dagelijkse strijd. Opstaan. Moeder zijn. Partner zijn. Dochter zijn. Vriendin zijn. Collega zijn.
Het donderde helemaal in elkaar. Alles op een hoop en ik daaronder.

Medicijnen helpen echt. Praten ook.

Dus nu spreek ik het hier ook even uit.

Want de waarheid kwetst niet. De waarheid toont het diepste van een mens.
Dit is mijn waarheid.
Hier. Vandaag. Gisteren. Morgen.

Amen.

http://www.deredactie.be/permalink/2.33301?video=1.1961541

Terwijl de zon door mijn slaapkamerraam binnenschuift, slik ik. Diep. De vieze nasmaak in mijn mond moet weg.
Het is zover.
Het is zover.

Alsof ik nu pas ‘voor echt’ gescheiden ben.
Ik hang tegen zijn schouder aan. Huil de longen uit mijn lijf. Voel hoe hij niet weet wat hij moet doen met zijn handen. Ze zachtjes op mijn schouders legt. Me met een schouderklopje de afstand induwt.

Het is zover.
En ik wist niet wat te doen.
Kwaadheid en verdriet strijden met elkaar. Vooral een gevoel van onrechtvaardigheid besluipt me.

Het moet maar eindelijk eens gedaan zijn met dat gejank.

Kent ge dat? Het barricadegevoel. Het gevoel van gehoord te willen worden, gezien te worden, begrepen en begrijpen.
Als een verslagen hond blijf ik me tegen de muur aanlopen. De muur die nooit nog afgebroken kan worden.
Mijn botten breken, mijn huid scheurt. Rimpels banen zich een weg langs mijn mondhoeken en ogen.
Geef het op. Geef het op.

‘s Avonds zitten we hand in hand in de zetel. Die kleine hand in mijn hele grote. Hij knijpt ze zoals zijn vader vroeger deed. Hij aait over mijn wang. Ziet aan mijn ogen dat het pijn doet.
“Ik zie jou wel graag mama” zegt hij teder.
Ik knuffel hem en voor hij het weet zijn we in een kietelgevecht verwikkeld.
Zolang hij maar van me houdt, zal het ooit wel eens in orde komen.