Sedert een paar maanden kan ik u exact vertellen wat een pijn een beschadigde zenuw veroorzaakt. De cortisonespuit die me terug wat rechter en fitter had moeten maken werd rechtstreeks in de zenuw geïnjecteerd waardoor die nu kapot is.

Herstellende, gelukkig! Maar toch zeer pijnlijk met stukjes zeer erbij.

Ik kan dus letterlijk zeggen dat er iets op mijn zenuw(en) werkt. Nu ja … werken is er eigenlijk ook niet bij. Vorig weekend was het één uur examens verbeteren, twee uur liggen… in dat ritme, aan dat tempo.

Terwijl de nieuwe dokter me veertien dagen ziekenverlof wilde voorschrijven, pretendeerde ik onmisbaar te zijn en vocht ik mezelf de klas in. Waar ik natuurlijk roemloos ten onder ging en zelfs eindigde in vervroegde thuiskomst zonder lauwerkrans maar mét een medaille voor onmiskenbaar overschatten van mijn kunnen.

En nu zit ik dus thuis. Net cortisonespuit nummer twee van de nieuwe dokter gehad en rechter en fitter dan ik in maanden was. En moe … onvoorstelbaar moe …

Twaalf uur geslapen deze nacht. Zonder pijn. Mogelijkheid tot omdraaien zonder luidkeels au en oei te zeggen. Niet meer vloekend en kreunend en steunend rechtop komen. Het deed deugd. Tranentrekkend deugd.

Er is ruimte voor boos. Boos op dokter en chirurg nummer één. Blijven beweren dat de zenuw misschien wel een ‘kleine kietel’ gekregen heeft maar zeggen dat het wel in orde komt. “En dan zien we mekaar terug na mijn verlof in januari”.

Ik d.a.c.h.t. het niet …

En nu de vraag na dit lange betoog: wat doet u? Gaat u naar de ombudsdienst van het ziekenhuis of denkt u zoals ik “Ach, het zal wel een menselijke fout zijn”. Terwijl ik nu info krijg dat cortisone rechtstreeks in de zenuw kan zorgen voor verlamming.

Watdoetu?

 

 

Advertisements

En plotseling ben je het dan: chronisch patiënt. Het klinkt dramatischer dan ik het wil laten uitschijnen. Maar vier maanden voortdurende rugpijn heeft geen goede invloed op je humeur en inschattingsvermogen.

Ik kan niet meer lang wandelen, lang zitten, lang staan, lang liggen. Ondanks de clichés over het onderwijs betekent dit dat ik kinderen aan mijn bureau vraag om hen te helpen, Krom staan is een absolute no go. Dat is het ook bij het afwassen, poetsen, bed opdekken, aankleden, boodschappen tillen (in de auto én uit de koffer) enzovoort enzovoort.

Ik kan niet meer dansen. Mijn gemoed schiet vol terwijl ik dit opschrijf. Ik kan niet meer dansen.

Waarschijnlijk maak ik het dus dramatischer dan het is

Pijn is een slechte raadgever. En terwijl ik de laatste jaren expert werd in het omgaan met zielspijn is fysieke pijn mij tot nu redelijk onbekend gebleven.

Ik voel hoe ik wegglijd in zelfmedelijden en gekreun en gesteun. Tegelijkertijd wil ik me sterker houden dan ik ben. Wanneer er stoelen worden klaargezet voor het grote feest in school schuifel ik nog even met de leerlingen mee. Na twee minuten moet ik me gewonnen geven.

Ik maak er grapjes over. “Het beste is eraf!” “Oud worden, hee” “Ik oefen voor de heks van Hans en Grietje”.

Maar vanbinnen zinkt de moed me stilaan in de schoenen. Platte schoenen maar dat wist u al.

Mijn leuke jonge kinesist geeft het op. “Hier moet je verder mee gaan. Dit is niet goed”.

Mijn osteopaat zegt dat ik nog nooit zo voelde. In die meer dan tien jaar dat zij me driemaandelijks onder handen neemt.

Mijn huisdokter schrijft een voorschrift voor het hospitaal. Rugschool heet dat.

En school … tja … dat is wel mijn ding natuurlijk.

Behalve wanneer ik tijdens de wiskundeles op de gang schuifel en volledig onderuit ga.

En nu weet ik weer waarom ik zo’n bloedhekel heb aan van die motiverende zinnen . What doesn’t kill you, makes you stronger.

B****sh***t. No f****g way.

Of meer van dat motiverende.

Buik intrekken en borsten vooruit

“Dag knappe dame”, zegt hij heel charmant. Groot en slank met hipsterbaard. Mijn type dus. “Jij kwam de kamer binnen en het stond hier in vuur en vlam.”

Melig? Yep. Er wat over? Yep. Raak? Ook yep.

Er mag nog eens met mij geflirt worden. Er mogen al eens wat flemerijen mijn richting uitkomen. Zeker wanneer het van een knappe kunstenaar met flegma komt. (Zie hoe flemerij en flegma in elkaar floeien).

Hij is knap. En heel aantrekkelijk. Legt nonchalant zijn arm om me heen en zijn hand in mijn zij. “Kijk, wij zouden goed passen!”. Ik lach en voel hoe mijn wangen rood worden. Ik ben het flirten niet meer gewend.

Klein en mager staat de vriend te glunderen. Dat heeft hij weer mooi voor mekaar. Bloem met rode wangen en zijn ego gestreeld. Want die lange knappe kunstenaar maakt geen kans. Dat weet hij.

Hij weet dat ik geen zin meer heb in buik intrekken en borsten vooruit. Liever lekker onderuit gezakt in de zetel het einde van “Blind getrouwd” bekijken. Elkaar beloven dat we tegen niemand zeggen dat we het zagen. Overschakelen naar Canvas en mijn sokken uittrekken om ze op zijn schoot te leggen. Met een dubbele kin en onopgemaakte ogen hangen en cola drinken.

Soms mis ik het om me op te tutten en te verleiden. De hoge hakken en de smokey eyes. De smalle rok met de strakke blouse. De grote ringen en oorbellen. Het dure parfum en gestifte lippen. Het ‘gewoon’ zijn en ouder worden nam het leven wat over.

Het lijkt alsof het dan wat glansloos wordt. Ik. Zelf.

Tot de knappe kunstenaar komt en me lakt met flemerij. Ik glim. Gloed en glooi en glitter. En ga alleen naar huis. Kruip in mijn oude roze badjas en glinster van de nachtcrème. Glamour op vintagewijze. Slaap lekker!

 

 

Open ogen … zwaar in het hart

Daar loop je dan. Tegen 8 kilometer per uur doorkruis je Beiroet. Af en toe stop je. Kijk je rond. Vervallen huizen, leegstaande appartementen, kapotte stoep, gebroken weg.

De impressies komen binnen op racesnelheid. Ik slik. Ik kijk. Ik beef. Ik zie.

27858612_10156294614485362_5363931385530710617_n

We betreden een Palestijns vluchtelingenkamp. Niets is zoals ik het van tv ken. Kinderen fietsen in smalle straatjes en vrouwen koken met het raam open waardoor ik zie dat er heel weinig plaats is in het kleine gepleisterde huisje dat deel lijkt uit te maken van een gigantische aan elkaar gebouwde stenen stad.

Ik glimlach naar ieder die ik zie. Enkel de kinderen beantwoorden mijn lach. De volwassenen kijken ernstig, soms wat verwijtend lijkt het mij. Wat komt die lange blanke vrouw hier doen, lijken ze te denken. Dat ik vergezeld word door een kleine Nederlander met de wereld in zijn vizier is een niet te matchen combinatie.

Hij vertelt honderduit. Over hoe de Palestijnen naar hier gevlucht zijn. Over hoe Syrische vluchtelingen worden uitgebuit en aangenomen voor de meest vieze, rotte klusjes. Hoe ieder die het zich kan permitteren een housemaid heeft. Ik zie die van de overburen drie grote Perzische tapijten om de twee dagen over het balkon hangen en uitkloppen alsof ze haar Nemesis zijn. Haar ras is me niet helemaal duidelijk maar ze is donkerder dan de andere mensen op straat.

Wanneer we in een Hesbollah-wijk lopen, zie ik grote posters van jongens en mannen met indrukwekkende geweren en dan wordt het zwaar in mijn hart. Ik zie kogelgaten in huizen, restanten van de burgeroorlog. We lopen voorbij een wapenwinkel, waar een kanjer van een geweer trots de etalage siert. Rillingen lopen over mijn rug en ik vermijd oogcontact en neem stiekem foto’s.

28217367_10156301513295362_887124759_o

Arabisch is een onbegrijpelijke taal. Sjoekran leer ik … het betekent dankjewel. Een belangrijk woord is dat. Ik gebruik het veel. Terwijl de ober mijn sjiek Frans ontbijt brengt, terwijl ik tussen de Diorwinkel en Michael Kors een blingblinghandtas koop waarvan mijn moeder achterover zal vallen. Terwijl ik neen schud naar de donker getinte mannen die me een taxi of rit willen aanbieden. Wanneer ik betaal aan de kassa van een supermarkt die net als thuis Dove shampoo en Oreal conditioner verkoopt.

Mijn voeten doen pijn. Een grote stad verkennen met een marathonloper is een ongekend uitdagend parcours. Zeker wanneer het een oud lief is, waar je toch nog steeds aan wil tonen dat het lijf waarop hij acht jaar geleden verliefd werd in goede staat bleef … Wat niet waar is en wat hij dan ook meteen merkt.

Ik voel me oud en Vlaams en rijk en anders.

In Beiroet verloor ik niet mijn hart. Maar het werd wel geraakt. De indrukken blijven binnenkomen en zullen waarschijnlijk nog een hele tijd nazinderen.

Mijn wereldverbeterende aard werd een hele tijd geleden ondergesneeuwd door levensverbeterende noden. Maar hij zit er nog. Ik ontmoette hem weer in Libanon.

 

Ziel-ig

Alleen ziek zijn is zielig. Mijn lakens moeten verschoond worden omdat ik zweet alsof ik in een heet bad lig. Dat ik trouwens ook voor mezelf moeten laten vollopen. Zonder eucalyptus want dat vergat ik in huis te halen en er is niemand die dat instant voor me doet.

Kreunend en steunend hijs ik me een losse kledij (want een jeans is zo pijnlijk met een pijnlijke buik) en rij ik auto-gewijs naar de de Albert Heijn voor broodjes want morgen wil ik echt wel terug gaan werken.

Lang leve de online doktersafspraken die een telefoontje overbodig maken. Lang leve de online agenda’s die ervoor zorgen dat mijn collega’s weten wat ik van plan was met mijn leerlingen vandaag. Voor wie ik me ook onmisbaar voel want ocharme de dutskes.

Wat voel ik me zielig. Ik wil een kopje warme thee met citroen dat ik niet zelf moet maken. Ik wil een hand die mijn rug streelt en me langzaam in slaap wiegt. Ik wil warmte die niet afkomstig is van een warmwaterkruik mét neppelsje (lees dat woord eens tien keer na elkaar).

Gelukkig is er Alicja met haar prachtige programma. Ideaal om te kijken met koortsig hoofd en zakdoekenneus. De kat spint zich tegen mijn buik en knort me de gezelligheid in. Ik ontspan. Ik word ziek. Ik ben het al.