Al dat water!

Wat is dat toch? Al dat gebleit, al die tranen, al dat water?

U weet het al langer dan vandaag. Ik ben een bleter, een wener, een bleitsmoel, een emogriet, een gevoelsmens en alles wat dat maar inhoudt …

Onlangs zat ik te kijken en te luisteren naar een vriendin die vocht en vecht. Tegen het wenen dus. “Ik wil niet”, zei ze, “Ik wil niet wenen, ik ben de tranen beu.” En ze keek ook een beetje boos toen ik zei: “Laat maar komen, laat maar komen, het moet er toch uit.”

Misschien keek ze niet echt boos, hoor … waarschijnlijk eerder wat getormenteerd en vooral droevig.

Wat is dat toch?

Waarom wordt tranen laten als zwak beschouwd? Waarom is het ‘sterker’ om met je hoofd omhoog vooral niet te laten zien wat je binnenin voelt? Waarom mag je niet zeggen: “Het wordt teveel.” ” Ik kan dit niet dragen.” Ik zie het even niet meer zitten.” Waarom lachen mensen een beetje wanneer je in stilte bijna luidkeels huilt met muziek, films, optredens …?

Ik kan daar deugd van hebben. Soms zet ik zelfs muziek op om eens goed te kunnen janken. Dan is het eruit. Dan is het weg. En dan ben ik er vanaf.

Huilen is goed. Huilen is ook sterk. Soms ben ik moediger wanneer ik toon wat ik voel dan wanneer ik het verstop achter een masker van humor en bravoure.

Het is niet dat ik enkel verdriet heb wanneer ik huil. Ontroering, vreugde, liefde, lachen, woede … het gaat veel gepaard met tranen. En het lijkt dikwijls alsof ik me dan moet verantwoorden. Mensen hebben soms schrik van tranen. Alsof er dan iets van hen verwacht wordt, alsof ze iets moeten oplossen, iets regelen, iets goed maken.

Dus bij deze: niet bang zijn. Ik ben een bleter, een wener, een bleitsmoel …

 

Advertisements

Soms gebeurt dat nog wel eens … dat we samen blij en gelukkig zijn. Dat we lachen en glimlachen en met fonkelende ogen elkaar aankijken en even een fladdering van glans voelen. Nu ja, ik toch. Wat hem betreft weet ik het niet en betwijfel ik het zelfs.

Meestal heeft dat te maken met ons gezamenlijk ‘product’. Dat kind, die jongen, die puber, die we beiden zo tof en grappig vinden, waarvan we houden met een intensiteit die enkel ouders begrijpen, die het beste van beide kanten heeft en ook wel wat minder goede kantjes van ons beiden.

Dan laat ik soms mijn scherm zakken. Dat op mijn hoede zijn wegens doorelkaargerammeldheid, dat voorzichtig zijn omdat de wonden ooit zo diep werden geslagen dat ze diepe, kloofgerelateerde littekens achterlieten. Littekens die een invloed hebben, nu al 8 jaar. Die me remmen in mijn relaties met eventuele partners, met mannen… Maar die me ook fier maken. Ik ben er nog. Ik sta er nog. En goed. En fijn.

Ik ben een betere moeder, vriendin, vrouw sedert ik gescheiden ben.

Maar jongens … wat een weg is dat geweest. Van niets meer en minder dan niets tot Iris. De echte deze keer. De ware.

En omdat er niets zwart wit is, komt het dus soms terug voor. Dat we samen blij en gelukkig zijn. Zonder dat ik bang ben of voorzichtig.

En steeds is daar dan die vanzelfsprekende vertrouwdheid. We zeggen nog steeds dezelfde dingen op hetzelfde moment. We lachen nog met dezelfde dingen. Zeker flauwe woordgrappen. Dat kan alleen hij zoals ik en ik zoals hij. En onze zoon heeft dat helemaal mee.

Daarom zijn gezinsmomenten de laatste jaren wel leuk. En fijn. Vooral voor die puber die ons aan het hart ligt.

Wat me sterk en zwak tegelijk maakt, is dat ik nu zie hoe hij werkelijk is. Wanneer je iemand adoreert, enkel teert op mooie momenten en voorbijgaat aan alle pijn die je voelt … dan zie je iemand niet in waarheid. En kan je niet in waarheid leven. Dan word je iemand anders dan jezelf.

Vandaag denk ik slechts nog aan hem wanneer ik praktische dingen moet regelen die moeders nu eenmaal regelen. Hij zal altijd de vader van mijn kind blijven en dat is een rol waarin ik hem waardeer en waarin zelfs af en toe zich een gevoel van warmte manifesteert op onverwachte momenten. Kort. Krachtig. Kort.

Maar gelukkig nooit meer met de intensiteit die het vroeger had. Want dat heb ik met heel veel moeite amper overleefd. Ik ben er nog. Helemaal. Sterk. Voor altijd. Sterk.

 

De prix

Jaagt de titel u schrik aan? Niet als je het fout leest, waarschijnlijk.

Gisteren kreeg ik een schok. In de fitness. Niet van een fout toestel of op hol geslagen weegschaal maar van de realiteit. De eenzaamheid die mensen soms voelen.

Ongeveer een jaar geleden kwam er een hele leuke coach als groentje naast mijn toestel staan. Mooie jongen, leuke glimlach, vlotte babbel. De levenslust spatte er af. Grappige opmerkingen, ook wel ondeugend af en toe. Dat heb ik graag, dat vind ik fijn.

Zo’n coach is een motivatie om uw lichaam tot nieuwe grenzen te brengen. Hij moedigde aan en liet mijn buikspieren vooral trainen wegens hard lachen en niet meer bijkomen.

En plots was hij verdwenen. Weg. Foetsie. Ribbedebie. Als in: “Die zien we nooit meer te-rug”.

Ik dacht nog wel eens aan hem. Zijn charme liet een impact achter. En hij liet blijkbaar ook vanalles achter waarvan de opvolgende coaches met hun ogen draaiden en zeiden dat het een dikke miserie was. J. bleek administratief niet zo’n krak te zijn.

Nu is het wel een rage in mijn fitnessclub. Het weggaan, het ribbedebiën… De meesten blijven een maand of vier en maken dan weer een carrièreswitch. Coach-zijn is niet echt een gewilde baan.

Dat was gisterenavond het gespreksonderwerp toen ik de longen uit mijn lijf fietste. De nieuwe coach is net zo zelfverzekerd maar iets minder charmant.

Plots kwamen we op J. Hoe goed hij dat wel deed en hoe leuk en tof hij wel was.

“Tja,”zei de nieuwe coach, “je begrijpt niet goed waarom hij heeft gedaan.”

Ik dacht aan administratieve blunders, misschien zelfs aan wat fraude of gelddrukkerij. Dus ik antwoordde stoer: “Ja, ik heb gehoord dat het niet zo’n succes was maar ik weet niet zozeer wat hij juist deed.”

En toen kwam de klap, de hamer, de bijl, het zwaard.

J. stapte uit het leven, zoals ze dat zo mooi zeggen. Hij maakte er een eind aan zoals de nieuwe coach dat zei.

Ik was woordeloos. Helemaal ondersteboven. Slikte en slikte.

En huilde de hele weg naar huis.

Wat een eenzaamheid. Wat een verdriet.

Had ik…? Kon ik …? Als ik maar had gekeken naar wat er achter het opgewekte masker was. Misschien … dan ….

Waarom betaalt iemand de prijs?

Ik weet het niet. Ik weet het niet.

 

 

Liegenier

Er gaan een drietal mensen op deze wereld smalend lachen bij de volgende bewering, maar voor mij is het waar: ik kan niet liegen.

Wanneer ik het toch doe, lig ik er wakker van. Krijg ik buikpijn. Zit mijn nek vast.

Een leugentje om bestwil als in ‘ik bereidde een verrassingsfeestje voor en verklap het niet’, lukt nog net. Neen, dat is ook gelogen. Daar geniet ik omvangrijk en uitgebreid van. Voorpret kan bij mij weken, maanden duren.

Neen, het gaat over de grote leugens in het leven. “Ja, papa, ik was gisteren om half 1 thuis”. NOT! “Ja mama, ik vind jouw zelfgemaakte vest echt heel cool”. NOT (op zeventienjarige leeftijd). “Ja mevrouw, ik maakte mijn taak gisteren echt wel af”. NOT (want ik deed stiekem spelletjes i.p.v. huiswerk te maken).

Ik word er helemaal confuus van als ik moet liegen. Om allerlei redenen kan dat zijn. Om de andere niet te kwetsen, te beschermen tegen de waarheid en vooral … dat ze niet boos op me worden. Want daar ga ik van kronkelen. En sedert een aantal jaren is het echt een trauma … mensen die hun stem verheffen, met deuren slaan of ijzig zwijgen en je ogen-blikgewijs de grond in boren … die doen mijn tenen krullen.

Dan dúrf ik de waarheid niet zeggen. Uit angst. Uit lafheid. Uit zwakte.

Kinderen doen dat ook. Bij roepende, boze, ijzige, eisende ouders. Dan gaan ze dingen verzinnen, mooier maken of doen verdwijnen.

De laatste jaren gedraag ik me niet meer zo kinderachtig. Er zijn geen kille, woedende, misprijzende ogen en stemmen in mijn buurt. Je zou zeggen dat de waarheid zeggen dan toch gemakkelijker wordt.

Tja, dan moet je eens als het ware in de tuin van je ouders wonen. En af en toe mannelijk gezelschap in huis hebben. Of late feestjes doen. Of nachtelijke limoncello-afspraakjes hebben. Of repetitie waarbij één van de muzikanten een nieuwe auto kocht. (Wie was dat gisterenavond? Ha, kocht hij een nieuwe wagen?! Oh, we dachten al …)

Laat dat puntje puntje puntje nu net iets zijn waarover ik dan soms lieg. Euh … de waarheid verzwijg, verdraai, verBloem …

Yep. Boem Bloem!

 

Snotteren met het einde van films als deze … ikkanda! Wanneer het gaat over afscheid nemen van geliefden of gewoon twee mensen die niet meer bij elkaar kunnen zijn … dan snotter ik een hele waterloop bij elkaar.

Hij weet dat. Hij kent me al lang. Hij voelt dat aankomen.

Dan geeft hij me zijn hand en mag ik knijpen terwijl ik slik en slik en slik tot ik een dikke krop in mijn keel krijg die niet weg te slikken is. Zijn hand op mijn arm en zijn gefluisterde troost raakten me gisteren diep. Zijn stem is zwaarder dan ooit en wanneer hij fluistert lijkt die in een donkere bioscoop helemaal op zijn vader. Mijn tranen bleven meteen steken waar ze staken. Ik schrok ervan.

Het komt de laatste tijd meer voor. Nu hij meer man is dan hij ooit was. En waarschijnlijk nog meer zal worden.

Hij lijkt op zijn vader. Vooral in de emotionele en troostvragende situaties.

Dat is even schrikken. Omdat het dan lijkt alsof die man weer even naast me zit. Heel even maar. Een luttele seconde.

Het zorgt soms voor een andere waterval. Eentje van herinneringen. En gelukkig maar …. goede en mooie herinneringen. Die kan ik koesteren. En blij zijn dat zoonlief die kanten van zijn vader erfde.

Wanneer we nadien in de late avond weer huiswaarts rijden en samen zingen en onnozel doen, autodansend, weet ik dat hij ook op mij lijkt. Dramatisch, met veel armgebaren, schlagergewijs zeer luid kwelen en lachen en giechelen en draaien met onze ogen. Dat ben ik. Dat is hij.

Hopelijk geeft dat zijn vader af en toe ook mooie herinneringen.

A piece of cake

Wegen doen we niet in dit huis. De batterij gaf het zo’n zes jaar geleden op en ik deed mee. We wegen enkel bloem of suiker bij het maken van broodpudding of een cake.

Voelen doen we des te meer. Voelen hoe we ons voelen, nadenken daarover en ageren ernaar gaat zonder problemen. Nu ja …

de laatste jaren voel ik hoe mijn lijf richting het verschrikkelijke getal gaat en hoe mijn kleding daaronder lijdt. En vooral mijn portemonnee. De maten stijgen met de jaren. Mijn bankrekening daalt evenredig.

Ik kan niet meer in mijn kleren. Lap … daar is het. Ik heb het gezegd. Het is eruit.

Fitnessen is de oplossing. Niet altijd even regelmatig maar toch …

De laatste weken is het leuker. Zoon gaat mee. Op de loopband. Lopen dus.

Ik merk hoe het me meer motiveert. Omdat ik hem moet motiveren. De eerste keren ging hij nog redelijk vrijwillig mee. Maar nu moet ik hem al eens een beetje euh … aanporren.

Voor u denkt dat hij geboeid en onder dwang wordt meegevoerd … Hij vindt het zelf nogal leuk. Dat aanporren.

“Zaag me maar de oren van mijn hoofd, dat motiveert mij.”

Niet meteen mijn favoriete aanpak, maar ja, een moeder moet wat doen voor haar kind, niet?

Piece of cake komt er dus niet meer van. Maar dat lopen … dat lukt aardig. Makkelijk toch!?