Echt-ig

Het schrijven van levensverhalen brengt me dikwijls heel dichtbij iemand’s eigenheid. Niemand is puurder dan wanneer er verdriet of woede is. Deze week ontmoette ik dochter en partner van een vrij jonge vrouw. Kanker. En alles wat er maar mis kan gaan.

Zeer aangrijpend levensverhaal. Zonder in details te treden (ik ondertekende een zwijgplichtig papier) … ik was onder de indruk van hoeveel pech een mens kan hebben in zijn leven.

Even de kleinere mens in mij laten spreken: het helpt me om me te realiseren dat ik het zo slecht nog niet heb. Dat mijn eigen levensverhaal nog niet zo ziel-ig is. Dat ik best reden heb om geluk-kig te zijn.

Voordat ik ging lezen, ontmoette ik hen nog kort. Ze gaf me een kaartje. Een bedankkaartje. Het gaf me een krop in mijn keel. Dat ben ik niet gewend. Als vrijwilliger beoog ik geen zware bedankingen of lofbetuiging. Hun ogen bij het afscheid zeggen dikwijls genoeg.

Dan voel ik dus hoe iemand diep van binnen is. Je hebt verschillende reacties: ogen die neerslaan, een omhelzing, sterke handdruk, slap handje, tranen, strakheid, drama, …

Dat is mooi om zien.

Ook ik kan dan slechts alleen mezelf zijn. Dan voel ik hoe ik zacht word, wat week en tegelijk heel sterk en ondersteunend. Met mijn lengte toren ik dikwijls boven hen uit (verdriet maakt echt kleiner) en dan kan ik me voorover buigen en hen een kneepje, hand of omhelzing geven.

Zonder neerbuigend of arrogant te willen doen …

het geeft me dan zo’n goed gevoel. Dat ik mensen kan helpen in hun verdriet.

Ik merkte in mijn eigen leven … : geluk deel je zo gemakkelijk met anderen. In verdriet sta je dikwijls alleen. Iedereen verwerkt een overlijden op zijn eigen manier. Ik zie hoe het mensen uit elkaar drijft en hoe het mensen verbindt.

Ik ben zo blij dat ik een schakel mag zijn.

Slotsom na deze verbale tsunami en van de hak op de tak springend relaas: Wat doe ik mijn vrijwilligerswerk graag!

Advertisements

5:00 u. Ik zit aan mijn computer. Over drie uur moet ik wakker worden en opstaan maar mijn lijf ligt dus duidelijk voor op schema. Het oefent. Het oefent tranen.

Ik herlees de teksten die ik schreef voor de viering in de kerk. Kerken zijn niet meteen mijn habitat. Ik word meteen mijn puberteit ingesleurd en krijg haast een indigestie van de ‘schijn’heiligheid die ik mocht ervaren met leden van de katholieke kerk.

En toch … deze keer haalde ik mijn beste bijbelkennis naar boven. Ik schrok ervan hoeveel er nog steeds aanwezig is in dit lijf van mij.

Ik doe dat voor haar. Mijn moeke.

Zeer religieus. Zeer gelovig. Met als tweede habitat die kerk waar ik straks zal spreken.

Er kunnen geen twee overtuigingen zijn die zo ver van elkaar liggen. Toch voelde ik me altijd heel verbonden met haar. Haar huis was mijn tweede thuis. Elke dag wanneer ik mijn rolluiken omhoog doe zie ik het.

Dan denk ik aan haar. Niet zoveel als ik de afgelopen week deed. Maar wel elke dag heel even.

Ik zal haar missen en alles wat ze voor me betekende. En ja, ik ken de zinsnede “Bewaar de goede herinneringen, ze zal altijd bij je zijn.” zeer goed.

Maar vandaag heb ik daar even niks aan. Want mijn lijf oefent verdriet. Het oefent tranen.

Lang geleden

En plots ben ik boos. Om roddels, om pejoratieve opmerkingen, om kinderlijk gedrag, op dictatoriale beslissingen …

Ik word niet graag behandeld als een kleuter, als iemand die van kwade wil is, als iemand die automatisch dwarsligt.

Dat ben ik niet. Dat ben ik echtentechtig niet.

Het verhaal van honing of stroop of azijn?

Jakkes.

Vandaag ben ik boos.

En mijn ultieme boosbrullaatmemetrustnummer is dat van Anouk.

NAH!

Begin van het schooljaar

De dagen rijgen zich rustig aan elkaar. De zon schijnt. De regen valt. Ik werk. Verbeter dat werk en werk opnieuw. Vriendinnetjes zijn jarig en krijgen een cadootje. Kindjes worden geboren en jammer genoeg sterft de moeder van een nieuwe fijne vriend. De leerlingen zijn fijn om mee te werken. De kat spint. Zoonlief maakt af en toe graag zijn huiswerk. Ik verzeil op een onverwacht zonnig terras met net genoeg cava om een licht hoofd te krijgen. Ik glimlach en krijg een lach terug.

Het leven is goed. Zo simpel kan dat zijn.

Soms hangen de woorden dan wat langer in mijn ziel en keel en hart. Ze kwamen er net uit.

Een gulp geluk. Ik gun het u.

Van de doorzetting?

Discipline? Wilskracht? Orde?

Moest men dat ooit in de solden verkopen, ik bevoorraadde mezelf onmiddellijk met een ton of tien.
Het is mij vreemd.
Ik ben niet goed georganiseerd, gemanaged, geregeld, aangelegd en ingericht.
Ik ben van ‘de chaos’.

Dat heeft zijn voor- en nadelen, natuurlijk!
Als we het positief formuleren, ben ik inventief, spontaan, ongekunsteld, ongeremd, creatief en immer enthousiast.
Gebruiken we de bewoordingen van mijn vroegere leerkrachten, mag je me turbulent, verward, rommelig en onbegrijpelijk onbestemd noemen.

Tja …
ik moet toegeven … ze hebben/hadden soms wel een punt.
Erg ver komt een mens niet met dat alles. Zeker niet wanneer er effectief gepresteerd moet worden.

Ik haal mezelf altijd heel wat op de hals. Dat doet me dan de das om, nekt me.
Waardoor ik dan hals over kop iets door mijn strot moet duwen dat niet te slikken valt.

Vandaag zwoeg ik dus om een tekst van ongeveer 1400 woorden te schrijven.

Ik start zeer ijverig, maakte zelfs een mindmap om er structuur in te krijgen.
Dan zet ik me met latté en koek aan de computer en begin ijverig te typen.
Na een vierhonderdtal woorden ontbreekt het me verder aan inspiratie en gun ik mezelf even een pauze.
Een ‘game on Mindjolt’ houdt me bezig. Wat chatten met de zus. Wat lezen in de krant. Mail checken. Mezelf achter de oren krabben …

Daar gaat het dus mis.
Dan kom ik niet verder dan dat.
Ik zucht en dwing mezelf.
Ik zweet en beveel mezelf.
Ik kreun en vervloek mezelf.

De volgende fase is het zelfverwijt.
Was ik er maar vroeger aan begonnen!
Had ik mijn notities maar meteen verwerkt en niet laten rondslingeren waardoor pagina 3 hopeloos verloren ging!
Had ik maar niet ‘ja’ gezegd tegen deze opdracht!

Hoera hoera! Laat het hoongelach en de bespotting aanrukken!
Eigen schuld, dikke bult!

Met de moed der wanhoop zet ik me er nogmaals aan.
Regelmatig gecontroleerd door het vriendje dat me dan ook letterlijk uit- euh … toe-lacht.
Hij kent mijn fases en weet dat het altijd goed afloopt.

Alles komt altijd goed, Bloem.” zegt hij dan.

Hij heeft gelijk.
Verdorie toch!

Hij kijkt over zijn brilglazen met liefde. Ik kijk met een glimlach over mijn sederkortleesbrilogen-bril terug.

Hij geeft me een lied(je). Iets met een zwoele bas, een trage drum en een slepende piano… Datgene waarvoor ik smelt. Altijd al. Nu ook weer.

“Dans jij soms?” vraag ik.
Hij lacht en schudt.

Ik krop even. Denk aan de kracht van mannelijke armen. Hoe een hand in je rug je probleemloos in een bepaalde richting duwt. Een voorhoofd dat op je schouder rust. Een hoofd dat warm drukt in de holte van je oor en hoofd. Sensueel. Zinnelijk. Een wereld die enkel uit twee mensen bestaat. Eén gevoel. Eén zijn.

Ik traan even. Een gemis dringt zich wederom richting buik en ziel. Ik ontdek elke dag meer unieke dingen in de relatie van toen en de relatie van nu.

We dansen niet. We duwen niet. We zingen niet.

Maar we voelen.
Meer dan we ooit zullen weten.
Ik wil niemand anders.
Ik heb niemand anders nodig.
Ik hou van iemand. Meer dan hij ooit zal weten.

Mijn hart bonst. Zo ergens tussen keel en slokdarm.
Mijn vinger weifelt, twijfelt. Klik ik wel of klik ik niet?

Ik klik.
Ik lees.
Ik slik.
En weet.

Er is soms al rust.
Geen aanvaarden. Dat is te vroeg.

Er is vooral nog veel woede.
Omdat ik weet dat hij opnieuw is.
Een iriskopie.
Hij gelooft.
Ik weet.

Wacht ik op ooit.
Weer.