Wat hij zegt …

Als fervent Canvaskijker ben ik helemaal weg van Alleen Elvis blijft bestaan. Thomas doet dat goed en zijn gasten zijn telkens verrassend en boeiend.

De ene al wat meer dan de andere natuurlijk.

Gisteren werd ik ontzettend geraakt door de uitzending met Johan Heldenbergh … Wat een mooie man. Hij heeft een bepaalde aantrekkelijkheid door het uit proportie zijn. Schoon van lelijkheid zoals ze dat grofweg in het plat Antwerps zeggen.

Dat vond ik vroeger al. En nu nog des te meer.

Hoe hij praat over de ontplofte kelder die depressie is en hoe hij angstig blijft voor de afgrond die lonkt en roept. Wat herken ik dat.

Wat herken ik dat …

 

Advertisements

De laatste tijd is het hier redelijk ondergesneeuwd met verlof en zorgen en weinigzeggende woorden.

Vandaag dus iets belangrijks!!
Tadaaaaaa ….

Wij treden op.
Yep. Dat doen wij.
Dan doen wij dat daar.

U komt toch ook?

In de wolken

Ze lachen. Met seks. Met moeilijke komende orgasmes. De zaal schaterlacht. Ik kijk en denk.
Ik glimlach en zwijg luidop.
De eerste decorwissel komt.
Met muziek van Boudewijn De Groot voel ik hoe ik het niet meer hou.
Ik slik. Slik. En slik van jewelste.
De tranen komen. Biggelen. Verdwijnen via mijn nek tussen mijn borsten.
Ik zet me schrap.

“Wat wilt ge van mij?”
” Ik wil u zien.”

Ze zoenen. Ze vrijen. Ze spreken en spelen.
“Laat mij u graag zien.”

En terwijl hij die zin uitspreekt, voel ik hoe de dam breekt. Ik huil.
Zo mooi is dat.
Na veertig jaar verlangen toch weer eraan beginnen.
Zo triest is dat.
Ook dan de toekomst niet zien.
Zij blijft denken aan haar soulmate, aan haar geliefde.
Ze slaagt er niet in om iemand opnieuw graag te zien.
Zo schoon is dat.

Mijn gezelschap is in een andere wereld. Dolverliefd en in de ban van het verdere verloop van die avond.
Hopend. Liefdevol.
Terwijl ik slik en hun eenzaamheid ken en herken.
Het licht dimt.
Het applaus zwelt aan.
Ik kan het niet tegenhouden.
Ik klap mijn handen blauw terwijl mijn tranen blijven vloeien.
Zo schoon. Zo schoon.

Dat is niet wat ik denk wanneer ik in de spiegel op het toilet kijk.
Geen zakdoek gehad, dus mijn handen hangen vol snot en gesnuif.
Ik was ze. Zorgvuldig en met gebogen hoofd.
Ik zie er vreselijk uit.
Dat is eigenlijk ook een beetje hoe ik me voel.

Na het afscheid duik ik in mijn handtas.
Vijftien euro en de tekst is de mijne.
Geen penny in mijn tas te vinden. Slechts wat oude franken.
Mijn frank valt.

Dit was schoon.
Dit was puur.

Dank U Chris Lomme, Dank U Jo De Meyere.
Ge zijt schoon.
Verdomd! Zo schoon!

zijtgezot?

– Ga je mee?
– NEEN!

Het antwoord komt meteen, helder, duidelijk, klaar en niet voor discussie vatbaar.
NEEN.
Ik ga niet naar een Frank Boeijen concert.
Zijt ge zot?
Ik kan geen noot van die man horen zonder dat ik huil, jank, snotter, ween, grien, schrei, snik …
Dat is al jaren zo geweest.
Maar sedert mei 2010 vermijd ik alles wat naar Frank ruikt …

Waarbij ik me nu bedenk dat het tegen dan drie jaar geleden zal zijn dat we nog samen naar een concert luisterden…
Mag een mens na drie jaar nog dat immense, intense verdriet voelen? Mag dat?

Het ontmoedigt me. Dat ik met momenten nog zo’n pijn voel. Dat ik soms nog moeite heb met loslaten, afscheid nemen.
Mensen begrijpen dat niet, herkennen dat niet, vinden dat raar.

Ik zie hoe goed hij het doet. Ik hoor van allerlei kanten dat hij echt verder staat dan ik, dat hij me losliet, niet meer van me houdt, niet meer aan me denkt.
Ik stel hem geen vragen meer, vertel hem niets meer.
Terwijl ik toch in mijn hoofd en mijn hart nog met hem bezig ben.
Ik schaam me er niet meer voor.
Ik mag dat.
Want ik heb een loslaatprobleem.

Ik hou vast. Ik hou heel erg vast.
Tot ik niets anders meer kan …
En dan …

Houdten

Twee jaar geleden zag ik haar voor het eerst. Ze liet me niet onberoerd.
Terwijl er mensen verontwaardigd opstonden en de zaal verlieten, viel mijn mond open en ging mijn hart sneller kloppen. Wat een kracht, wat een waarheid.

Experimenteel theater. Zo werd ze genoemd.
Dat niet iedereen haar smaakt, zag ik gisteren. De Bourla was bijna leeg. Veel jonge mensen en af en toe iemand van mijn leeftijd of ouder. Maar dan altijd bohémien of kunstenaarsachtig.
Al van bij de opkomst was ik me bewust van mijn zware ademhaling. Twee mensen naast elkaar. In goedkope jogging. Met zeer afgemeten bewegingen.
Ze begon te spreken. Schijnbaar onsamenhangende woorden en zinnen. Elke zin begon met ‘dankjewel’ … wat volgde was een gulp van dankbaarheid om allerlei gevoelens.
Meteen zat ze binnen. Binnen in en onder mijn huid.
Toen trokken ze hun goedkope jogging uit en smeten die in een indrukwekkende koffiemolen ofzo. De kleren kwamen er gesnipperd uit.
Toen waren ze naakt.

Het bevreemdde me even. Twee naakte mensen die over en onder en in en met elkaar rollebollen, dartelen, vrijen …
Het zicht is me onbekend. Ik zie dat soms op tv maar niet zoals daar, op het podium.
Open. Bloot. Ongeremd. Ongegeneerd.
Fier rechtop.

Speciaal was het.
Na een korte tijd was ik helemaal gewend aan hun lichamen. Het leken wel kostuums. Ze acteerden.
De muziek was prachtig en machtig imposant.

Het duurde slechts een uurtje.
(Waarschijnlijk is optreden in je blootje na een poosje best koud)

Het bekleefde en beklijfde me. De hele avond hingen ze nog in mijn haar, mijn neus, mijn porieën. Op de bus naar huis zat ik buiten te kijken.
Ik bedacht me hoe fijn het moet zijn wanneer je de schaamte voorbij bent en je je lijf durft tonen. Hoe ouder ik word, hoe vrijer ik me voel. Terwijl ik heus mager was tot mijn 33ste. En eigenlijk wel goede maten had.
Op mijn 42ste ben ik niet dik maar ook niet dun. Kan je aan mijn handen zien dat ik boven de 30 ben. Merk je aan de lijnen in mijn gezicht, rond mijn mond dat ik veel lach en huil.
Mijn lichaam heeft littekens. Zowel letterlijk als figuurlijk.
Soms heb ik niet genoeg respect voor mijn lijf. Ik pleegde jaren roofbouw en draag daar nog steeds de gevolgen van.

Ik weet wat goed is voor mijn lijf. Het kost me alleen dikwijls moeite om te luisteren naar de signalen.
En dat het signalen kan geven zag ik gisteren wel. Mooi! Heel mooi!

Zisgoe! Ziskeigoe! En hij ook.

Gisteren zag ik voor de tweede keer hun “Toch bedankt”.
Minder intiem en meer theater deze keer.

Ik zie haar dan staan … en herinner me ‘onze’ eerste stappen in deze wereld.
Ergens haakte ik af. Door vanalles en nog wat. Vooral het nog wat veegden we van tafel.

Ik zeg het haar eerlijk na afloop: Ik ben jaloers, Dominique. Zo jaloers als ik u daar zie staan.
Ze lacht en geeft me een zoen.
Ze weet mijn dromen want ze droomde die ook.
Dat zij ze realiseerde, heeft met doorzettingsvermogen en tegelijk noodzaak te maken. Ik herken het ‘moeten’, het ‘willen’… Ooit realiseer ik het ook.
Ik ben er in ieder geval druk mee bezig. En zij?

Zij en hij staan ergens in de volgende maanden in mijn woonkamer.
Ze zingen. Ze spelen. Ze raken. Ze voelen.

En u? U gaat dat komen zien. Niet?
Ja toch?

Als het …., … moet je sporten?

In december 2009 speelde ik het laatste stuk. “Het temmen van een feeks” naar het welbekende verhaal van William.
Het was de laatste keer dat ik op scene stond. De laatste keer dat ik me met heel mijn lijf in de strijd gooide.
Het werd een strijd. Het stuk was bijna therapie … het drong door tot in de diepste vezels van mijn toenmalige zeer magere lijf. 8 kilo viel ik af tijdens repetitieproces en spel.
Niet in het minste door mijn tegenspeler die ook doordrong tot in diezelfde vezels. Niet vanwege een verliefdheidje (voor de dirty minds onder u) maar vanwege de uitermate andere liefde voor gedichten. Hij reduceerde elke poging in die richting van mijn kant tot het sentimentalisme, het uberromantische truttekesgenre.
Hard was hij. Letterlijk en figuurlijk. Hij zwierde me van de ene kant van het podium naar de andere. Vol blauwe plekken stond ik toen.

Het was toen dat ik een punt zette achter twijfel en kommer. Dat ik aan de noodrem trok.
Niet hard genoeg bleek achteraf. Het ging van kwaad naar erger.

Onlangs zei ik het lidmaatschap van mijn toneelkring op. Geen theater meer voor mij. Enkel het pure leven.

Het lijkt alsof ook dat zo moest zijn.
Een aanbieding gleed mijn mailbox in.
Nu ja … het was meer iets van: “Gij en ik. Acteren. Filmke. Nu.”

Ik glimlachte. Het was lang geleden dat we samen ‘toneelspeelden’. De laatste keer liep dus niet zo goed af.
Is het dan wel verstandig om terug in een rol te kruipen? Vlak nadat ik zodanig zeker besloot om het niet meer te doen?
Kan ik het nog wel?
Onzekerheid troef

En toch …
het kriebelt.
Al is het een onnozel filmke voor een politieke partij waar ik me best achter kan scharen, zetten, plaatsen, denken.
Zou ik?
Zou ik niet?

Ze zeggen altijd: Als het kriebelt, moet je …

maar mijn gekriebel bedriegt me al jaren aan een stuk.
Wat het oplossen van jeuk blijkt te zijn, is dikwijls een vlucht of een drogreden van geluk.
Zou ik?
Of zou ik niet?