Ziel-ig

Alleen ziek zijn is zielig. Mijn lakens moeten verschoond worden omdat ik zweet alsof ik in een heet bad lig. Dat ik trouwens ook voor mezelf moeten laten vollopen. Zonder eucalyptus want dat vergat ik in huis te halen en er is niemand die dat instant voor me doet.

Kreunend en steunend hijs ik me een losse kledij (want een jeans is zo pijnlijk met een pijnlijke buik) en rij ik auto-gewijs naar de de Albert Heijn voor broodjes want morgen wil ik echt wel terug gaan werken.

Lang leve de online doktersafspraken die een telefoontje overbodig maken. Lang leve de online agenda’s die ervoor zorgen dat mijn collega’s weten wat ik van plan was met mijn leerlingen vandaag. Voor wie ik me ook onmisbaar voel want ocharme de dutskes.

Wat voel ik me zielig. Ik wil een kopje warme thee met citroen dat ik niet zelf moet maken. Ik wil een hand die mijn rug streelt en me langzaam in slaap wiegt. Ik wil warmte die niet afkomstig is van een warmwaterkruik mét neppelsje (lees dat woord eens tien keer na elkaar).

Gelukkig is er Alicja met haar prachtige programma. Ideaal om te kijken met koortsig hoofd en zakdoekenneus. De kat spint zich tegen mijn buik en knort me de gezelligheid in. Ik ontspan. Ik word ziek. Ik ben het al.

 

Advertisements

Omen Amen

Voortekens … soms geloof ik daarin. Dikwijls merk ik het pas wanneer er weer wat tijd en emoties overgingen. Dan was mijn aandacht te veel naar buiten gericht en te weinig naar binnen.

Vandaag was het zo’n dag dat ik het weer nodig had. Even naarbinnen kijken.

Het ouwe vorige ex-lief nodigde me uit om het andere continent te bezoeken. Boston, ik wou dat het kon.

Niet dus … Misschien vertrek ik morgenvroeg, misschien blijf ik thuis. Dan zijn er allerlei voorbereidingen gedaan. De zoon verblijft bij zijn vader in plaats van bij mij. Toen we dat regelden kwam er weer veel bitterheid en verdriet aan beide kanten naarboven omdat Boston indertijd echt niet kon toen. En nu nog altijd moeilijk ligt, zo bleek het.

Is het een voorteken? Dat het nu ook weer niet lukt?

Op het moment dat ik het me concreet afvraag, schiet mijn hele sociale netwerk in actie. Met de beste bedoeling, ja, dat geloof ik … “Gelukkig zit je nu niet in Frankfurt vast!” “Weet je wel zeker of je vlucht nu veranderd is?” “Weet je wel zeker dat je ook een vlucht Brussel – Frankfurt hebt?” “Kijk online even hoe het met de status van je vlucht gesteld is” “Klik even op de link die ik deelde op je fb-pagina.” “Bel even naar Lufhansa.” “Bel nadien terug of het in orde is.” “Ik zou een koffer nemen in plaats van een tas.” “Zie dat je proper ondergoed hebt in je handbagage” “Neem geen flesjes of tubes mee, dat houden ze toch bij”

Terwijl de ervaring me leerde dat ik dan even gas moet terugnemen, zit ik ook als een gek op fb te posten hoe ver het staat, hang ik een half uur in de wacht bij Lufthansa Brussels, maan ik zoonlief aan om dat verdomde luide geluid van zijn Wii stil te zetten, kijk ik een marathon The Graham Norton show, speel ik Farmville en drink ik latte tegen de sterren op.

Net wanneer ik voel dat ik ga gillen … is er de innerlijke iris die me bij de kraag grijpt en zegt: “ERUIT!”

Ik gooi mezelf de fiets op en trap als een bezetene richting …
tja, richting waar?

Eerst richting de bakker … ik verwen mezelf met een mokka soesje in een papieren zakje. Dat steek ik in mijn bloemetjesfietszak en dan trap ik terug weer aan een gestaag tempo.

Richting Moeke. Ik traan even voor haar graf, ga op het naburige bankje zitten en eet mijn soesje op. Mijn ogen dicht tegen de stralende zon. Luisteren naar de vogels, Luisteren naar de verre eenzame auto die voorbijtuft.

Ik adem. In. uit. In. Uit.

Een last glijdt van me af. Ik piep tussen mijn wimpers en zie een wit konijn aan de rand van de begraafplaats. Het wipt tussen het graf van Moeke en haar buurvrouw door. Terwijl ik mijn adem inhoud, kijkt het even achterom. Waarschijnlijk is het inbeelding maar ik voel hoe we heel kort oogcontact maken. Weg is het.

Was ik even Alice? Neen, het konijn had geen hoed op en stond niet op zijn achterste poten. Ik ben Iris. Bloem.

Ik adem. In. Uit. In. Uit.

Zucht ….

Wanneer ik langzaam richting fiets wandel, komt J.langs. Hij knikt en herkent me even niet. 30 jaar en zoveel rimpels later. Ik glimlach en noem zijn naam. We wandelen beiden verder, langs elkaar heen. Mijn hart roert zich even. Niet voor hem maar voor wie ik voor hem was, wat ik betekende. Ik beantwoordde zijn gevoelens niet en hij weende toen. De eerste jongen die ik zag wenen omdat ik hem afwees. Tevens ook de laatste om die reden want, wat ik toen niet wist, later zou ik degene zijn die zou wenen.

Toch blijf ik glimlachen en voel ik me warm worden.

Ooit werd ik graag gezien. En dat zou eigenlijk nooit meer ophouden. De liefde zou veranderen en ik zou volwassen worden. Met een licht bitter kantje dat af en toe zeer scherp kan zijn. Zoals vandaag.

Het scherp is van de snee. Ik kan weer verder. Dank je J. Dank je Moeke. Dank je, konijn.

En bij die laatste gedachte glimlach ik luider dan ooit.

Hij kijkt over zijn brilglazen met liefde. Ik kijk met een glimlach over mijn sederkortleesbrilogen-bril terug.

Hij geeft me een lied(je). Iets met een zwoele bas, een trage drum en een slepende piano… Datgene waarvoor ik smelt. Altijd al. Nu ook weer.

“Dans jij soms?” vraag ik.
Hij lacht en schudt.

Ik krop even. Denk aan de kracht van mannelijke armen. Hoe een hand in je rug je probleemloos in een bepaalde richting duwt. Een voorhoofd dat op je schouder rust. Een hoofd dat warm drukt in de holte van je oor en hoofd. Sensueel. Zinnelijk. Een wereld die enkel uit twee mensen bestaat. Eén gevoel. Eén zijn.

Ik traan even. Een gemis dringt zich wederom richting buik en ziel. Ik ontdek elke dag meer unieke dingen in de relatie van toen en de relatie van nu.

We dansen niet. We duwen niet. We zingen niet.

Maar we voelen.
Meer dan we ooit zullen weten.
Ik wil niemand anders.
Ik heb niemand anders nodig.
Ik hou van iemand. Meer dan hij ooit zal weten.

Mijn hart bonst. Zo ergens tussen keel en slokdarm.
Mijn vinger weifelt, twijfelt. Klik ik wel of klik ik niet?

Ik klik.
Ik lees.
Ik slik.
En weet.

Er is soms al rust.
Geen aanvaarden. Dat is te vroeg.

Er is vooral nog veel woede.
Omdat ik weet dat hij opnieuw is.
Een iriskopie.
Hij gelooft.
Ik weet.

Wacht ik op ooit.
Weer.

Mijn Hollandse tuinkabouter

Hij neemt mijn hand en drukt ze zacht. Ik knijp glimlachend terug. Lachen is het sleutelwoord. Mijn wangen doen er pijn van.

Het is een fijn gevoel. Ik lach graag.
Terwijl hij me jaren geleden erg heeft doen huilen. De eerste man die me ‘dumpte’.
Die twijfelachtige titel krijgt hij.
De eerste man waar ik ‘over’ geraakte. Dat is hij ook.

“We bouwden een droomwereld”, zegt hij. En dan lachen we allebei weer.
Het was zo. ‘We’ konden geen realiteit zijn.
Een Nederlandse Amerikaan of een Amerikaanse Nederlander. Kies maar hoe je hem noemt, die naam betekent redelijk onbereikbaar, niet?

Af en toe spreken we nog eens af. Wanneer hij ‘op het continent’ is, so to speak.
Dan wil hij hele andere dingen dan ik, if you know what I mean.
Ik glimlach dan en wrijf medelevend over zijn arm, I’ll stand my ground.
Enkel vrienden nog, yes we can!
We made a deal!.

Hij maakte me blij op een moment dat ik alleen maar kon huilen. Hij liet me zien hoe het ‘wel’ kan. En daar zal ik hem altijd dankbaar voor zijn.
Maar this ship has sailed en nu zitten we ashore.

Hij blijft mijn Hollandse tuinkabouter.
Dat kleine mannetje dat zijn nationaliteit enkel in lengte geen eer aandoet.
Hij was lief.
Ooit mijn lief.
Nu lief.

Nu is er een ander mijn lief. En lief.
We proberen het nog een keer. We zien wel waar we stranden.
Ik bouw een nieuwe wereld.
De mijne …

Mijn zakdoek ligt nat en verfrommeld in mijn rechterhand. Hij knijpt zachtjes in mijn andere. Ik laat de tranen even stromen en kijk hem dan glimlachend aan. Hij draait wat met zijn ogen en kijkt naar zijn linkerkant. “Mama huilt weer”, mimet hij naar zijn vader.
Ik kijk naar links en zie hoe hij heel stevig onze beide handen vastheeft. Ik manoeuvreer een beetje, zodat mijn hand die van zijn vader niet raakt. We raken elkaar nu bijna drie jaar amper aan. Het is ook niet meer nodig dat te doen.

Het beeld is bijna symbolisch. Ik zie hoe die grote liefde waarin ik jaren rotsvast geloofde verenigd wordt in datgene wat ons altijd dierbaar blijft. Onze zoon. Wijzelf bestaan al even niet meer en verwijderen hoe langer hoe meer van elkaar. Maar dat kind dat we samen maakten zal ons altijd verbinden.

We doen ons best. Zaterdag drie uur en een half met de ‘ooit’ man van mijn leven in een helse binnenspeeltuin. Zoonlief straalt. Zondag naar het schoolfeest van een naburige school omdat we samen met de zoon willen beslissen welke secundaire school hem binnen twee jaar zal passen. Vanavond naar Kinepolis met een Quick vooraf.
Het zijn vreselijke momenten voor mij. Telkens komt dat verdriet naar boven.
Ik zie hoe hij twee keer over zijn baard wrijft voor hij een grapje vertelt. Hoe hij giechelt of luidop lacht met de film. Hoe hij lief glimlacht naar de zoon.
Het is me allemaal zo vertrouwd en toch lijkt het al iets uit een ver verleden. Een verleden dat gekleurd werd door liefde en door haat. Felle gevoelens die niet overleefden.

Mijn leven is vlakker dan vroeger. Rustiger ook. Ik voel hoe ik op mijn plooi ben gekomen, hoe ik mijn evenwicht vind in dit leven. Er blijft dat gemis, maar het is meer een gemis van iets dat lang geleden is dan van iets dat nog kan bestaan.
Ik huil veel dit weekend. Verdriet kan verteren. Maar dat doet het niet meer. Ik laat het komen, laat het stromen. En kijk dan glimlachend naar de mensen om me heen. Die aan de zijlijn supporteren of voluit in mijn kring komen staan om me te dragen en lief te hebben.

Zoonlief werd elf. Wij keken The Monuments Men. Zoon en ik zelfs voor de tweede keer. En weer huilde ik. Met de douche-kerstscene waarin Bill Murray verrast wordt door zijn kompaan die het opgestuurde plaatje draait terwijl het hele kamp hoort hoe zijn familie hem mist en voor hem zingt. Ik snik luidop, met mijn zakdoek in mijn mond om het snikken te smoren. Ik kijk niet naar links omdat ik weet dat hij ook traant.

De cirkel lijkt rond. Terwijl ik 16 jaar stapelverliefd op hem werd toen ik hem zag huilen bij Titanic, neem ik hoe langer hoe meer afscheid bij dit wenen.
Het is voorbij.
Ik ben alleen.

Maar niet eenzaam …

Platgetreden paden

De hele week bericht men er over. Sanne Putseys neemt al zeven jaar antidepressiva. En ze heet dan ook nog Selah Sue.
Ik ben al een hele tijd redelijk weg van haar stem. Ze zingt speciaal en mooi.
Ze is ook mooi. Mannekeslief … als ik er zo zou uitzien zou ik de hele dag in de spiegel kijken.

Ze lijkt helemaal ok. Succesvol. Rijk aan ervaringen. Lofbetuigingen, zelfs TAFKAP vindt haar ontzettend de moeite.
Dat alles valt in het niets bij haar gesprek in Reyers Laat.

‘t Is een schoon madam. En wat ze zegt is waar. Waarheid. True.

Sedert twee jaar durf ik er ook luidop over praten. Antidepressiva. Psychiatrie. Depressie. Ziekenhuis. Opname.
Je kan dus ziek zijn van verdriet. Van ongeluk. Van afwijzing.
De zwaartekracht trekt je dieper dan ze dat met anderen doet.
Niemand ziet iets.
Kin omhoog. Lachen. Grappen. Luidkeels schreeuwen.
En vanbinnen stilaan sterven.

Ik zat daar ook. Vier jaar geleden.
Het leven was een dagelijkse strijd. Opstaan. Moeder zijn. Partner zijn. Dochter zijn. Vriendin zijn. Collega zijn.
Het donderde helemaal in elkaar. Alles op een hoop en ik daaronder.

Medicijnen helpen echt. Praten ook.

Dus nu spreek ik het hier ook even uit.

Want de waarheid kwetst niet. De waarheid toont het diepste van een mens.
Dit is mijn waarheid.
Hier. Vandaag. Gisteren. Morgen.

Amen.

http://www.deredactie.be/permalink/2.33301?video=1.1961541