tong en hart
moeder en porseleinenkast
heilige huizen hoog
hemels tieren
aards vloeken
neem mij
hier en nu
maar
neem mij
altijd en eeuwig
tong en hart
moeder en porseleinenkast
heilige huizen hoog
hemels tieren
aards vloeken
neem mij
hier en nu
maar
neem mij
altijd en eeuwig
eenvoudig uitgepraat.
Na vijf jaar bloggen is de verliefdheid eraf. Een scheiding dringt zich op. Liefs aan alle blogvrienden die ik leerde kennen…
Coupe Champagne. We klinken. De glazen beloven een fijne avond. Belofte maakt schuld. Die wordt volledig ingelost.
Alledaagsheid is het sleutelwoord. Het maakt ons uniek.
Koetjes en Kalfjes. Zij is de moeder van mijn porseleinenkast en houdt deze olifant al een jaar of dertig in toom.
Dat een vriendschap al zo lang kan duren. Intens, diepgaand en tegelijk verfrissend eenvoudig.
Wanneer ik haar aankijk, kan ik bijna verliefd worden. Ze is één van de mooiste vrouwen die ik ken. Ook al twijfelen we soms over botox en aanverwanten. Zouden we we, zouden we niet?
Ja, zij is de vrouw voor mij. Dat zeg ik hem wanneer ik laat thuiskom, gerookt, bewierookt. Mijn haar stinkt, mijn kleren ook maar mijn hart lavendelt zijn kamer in.
Zij kent me, al bijna veertig jaar. Zij is de enige die al zo lang van mij houdt. Bloem, in al haar facetten. Met kleine kantjes en groot bakkes. Wat koester ik dit. Geluk kan ook zo gewoon en natuurlijk zijn.
Blije Bloem. Bloem blijt.
Met enig uitstel. Het moest weer sijpelen, binnendruppelen. Erosie in hart en ziel. Het is wat gesleten.
Pas toen ik zijn massieve, grote lijf in mijn armen hield, kwamen de tranen. Hij hield ze even vast om ze dan af te schudden. Mijn tranen maakten hem bang, drukten hem op de sterfelijkheid van dat lichaam dat me niet meer vertrouwd is. Na het jaren vasthouden van die andere man is het zijne me wat onbekend geworden. Wat rimpeliger, zachter dan toen ik klein was. Minder groot en tegelijk wat struiser.
Van opzij. Met mijn ene arm over zijn borst en mijn andere over zijn rug. Mijn hoofd op zijn schouder, mijn gezicht afgewend. We mochten elkaars angst niet zien. Want dat is dodelijk.
Hij noemde me jarenlang “jongen”.
Zouden daar mijn twijfels vandaan komen? Zou ik daardoor in een tweestrijd gekomen zijn tijdens mijn pubertijd? Ik weet het niet en wil het nu ook niet meer weten. Ik was de zoon die hij nooit kreeg. Diegene die met hem ploeterde in de tuin, bij het hout klieven, bij het stenen aandragen, bij het drummen op potten en pannen die moeder en zus ijverig gebruikten. Ik was diegene met wie hij streed, omwille van uitbarstende creativiteit die hij niet begreep. Hij kreeg me klein. Hij maakte me naar zijn beeld. Kneedde en vormde mij.
Tot ik brak en bleef breken. Hij zocht naar de lijm om de stukken te kleven maar begreep niet dat het te laat was. We streden onze strijd. Woordenloos, omdat woorden zo kwetsten. Omdat we mekaar niet begrepen. Niet begrijpen.
Het was pas toen ik hem koesterde dat ik besefte dat ik nog altijd zijn zoon ben. Wat vrouwelijker sedert een aantal jaren. Wat meisjesachtiger dan toen. Eindelijk Bloem en bloesem. Maar ik ben nog steeds zijn jongen. Hij blijft mijn papa. Mijn vader.
Ik ben zoon.
Ik ben dochter.
klare lucht
heldere hemel
roodoranje draden
sieren mijn brein
speculazenroze wolken
tooien gedachten
verliezen mijzelf
nemen mij mee
baren mij
maken mij
nieuw, jong
en leven.
Wanneer ik gsm in de auto, NOT handsfree, smijt ik soms het ding tussen mijn benen. Bij het zien van politie, flitspalen of moeilijke tegenliggers …
“Netwerk zoeken” zegt hij nadien.
Geen bereik? Ik heb geen bereik tussen mijn dijen?
Tiens!