Hij kijkt over zijn brilglazen met liefde. Ik kijk met een glimlach over mijn sederkortleesbrilogen-bril terug.

Hij geeft me een lied(je). Iets met een zwoele bas, een trage drum en een slepende piano… Datgene waarvoor ik smelt. Altijd al. Nu ook weer.

“Dans jij soms?” vraag ik.
Hij lacht en schudt.

Ik krop even. Denk aan de kracht van mannelijke armen. Hoe een hand in je rug je probleemloos in een bepaalde richting duwt. Een voorhoofd dat op je schouder rust. Een hoofd dat warm drukt in de holte van je oor en hoofd. Sensueel. Zinnelijk. Een wereld die enkel uit twee mensen bestaat. Eén gevoel. Eén zijn.

Ik traan even. Een gemis dringt zich wederom richting buik en ziel. Ik ontdek elke dag meer unieke dingen in de relatie van toen en de relatie van nu.

We dansen niet. We duwen niet. We zingen niet.

Maar we voelen.
Meer dan we ooit zullen weten.
Ik wil niemand anders.
Ik heb niemand anders nodig.
Ik hou van iemand. Meer dan hij ooit zal weten.

Mijn hart bonst. Zo ergens tussen keel en slokdarm.
Mijn vinger weifelt, twijfelt. Klik ik wel of klik ik niet?

Ik klik.
Ik lees.
Ik slik.
En weet.

Er is soms al rust.
Geen aanvaarden. Dat is te vroeg.

Er is vooral nog veel woede.
Omdat ik weet dat hij opnieuw is.
Een iriskopie.
Hij gelooft.
Ik weet.

Wacht ik op ooit.
Weer.

Verlof

“Dat was een gigantische anti-climax, mama!”

Dure woorden uit de mond van een elfjarige. Ik hoor dat graag.
Ik glimlach en zeg: “Ja, hee, zoooo koud!”

Hij komt net uit een bijzonder koud zwembad. We verzamelen telkens veel moed om erin te springen. Maar het blijft een geweldige anti-climax wanneer je omringt wordt door ijswater.
Overdreven? Natuurlijk! Maar ikmagda.
Ik zit in Frankrijk. Met mijn zoon.
10428196_10152587541720362_4202007990326297862_o

Helemaal alleen 1017 kilometer gereden. In twee keer, want na mijn laatste werkweek zou het gekkenwerk zijn om dit in één keer te doen.
We huurden een appartementje bij mensen thuis. We liggen helemaal alleen aan een groot zwembad dat ik in zeven slagen overbrug (lees: groot zwembad want 1m80 heeft een grote slag). Met een biologische tuin, iets lager gelegen, waaruit ik al twee dagen fruit krijg aangeboden van het Franse koppel waarbij ik zorgneigingen oproep.
We wandelen ‘s avonds naar de Ardèche waarin we omhetverst stenen gooien. Daarna ga ik nog even met mijn benen en mijn boek in het zwembad zitten en drink een glaasje wijn terwijl ik af en toe omhoog kijk naar de bergen die me omringen.
Zoonlief speelt verschrikkelijk agressieve spelletjes op zijn nieuwe I-pad waarna ik mijn zieleroerselen typ op een oude laptop die niet werkt zonder constante batterijaanvoer. (Sommige dingen heb ik met mate onder controle)
Dan kijken we een film in het genre van Pirates of the Carribean. Ik val midden in de film in slaap en zoonlief geeft me dan een zachte zoen op mijn wang.

Ik doe dat goed. Beter dan twee jaar geleden en waarschijnlijk minder goed dan binnen twee jaar.
Yep!

Mijn vogelhuis

Met een glas roze cava ga ik even lekker zitten. Na de hele namiddag heen en weer hollen tussen keuken en terras mag ik dat van mezelf even doen. Genietend kijk ik om me heen.
Daar zit ik dan. Op mijn eigenste terrasje met mijn eigenste geliefden.
Zoonlief loopt ergens luidkeels te roepen tussen het gras en de bomen. Hij wordt momenteel achtervolgd door andere roependen met zwaar geschut in de handen. Pang, pang en dekkedekkedek gaat het. Mijn afkeer van zulke spelletjes is blijkbaar niet beïnvloedend genoeg om hem ermee te doen stoppen. Wat ik vandaag dan ook niet al te erg vind.
Mijn vader blijft heen en weer lopen tussen keuken en terras en daar ben ik dankbaar voor. Mijn moeder praat met mijn nichtje dat tranen in haar ogen heeft. Het gaat niet goed met haar. We liggen er met zijn allen wakker van.
Mijn blik dwaalt af. Hij staat met een sigaar in zijn gekwetste hand te praten en te gesticuleren. Het gaat over zijn schilderijen, ik zie het aan de uitdrukking op zijn gezicht. Mijn vriendin luistert naar hem. Ik bewonder haar knalrode haar dat alle kanten uitsteekt. Haar bomma-kleedje spant om haar lichaam. Ze heeft een buikje. Haar handen ervoor gehouden, antwoordt ze hem. Er wordt gelachen. Ik kijk naar hen beiden en voel hoeveel ik van hen houd.
A. zit naast me. Graatmager met haar grote blinkende zonnebril op. Ze lacht. Ik heb zin om haar eens goed vast te pakken. Ook zij heeft haar problemen.
Andere A. glimlacht naar me en zegt hoe blij ze is dat ik haar uitnodigde. Ik knik enthousiast. Het is de derde keer dat ik haar zie maar ze voelt al heel fijn. Gescheiden. Net als ik. Net als vriendin met het rode haar. Net als A. Net als het nichtje.

Verbaasd tel ik even. Hoeveel van mijn vrienden zijn er nog gehuwd? Ze zitten in ieder geval vandaag niet op dit feestje.
Gek. Hoe ik plots tot het besef kom dat ik met een boel single (gescheiden) vrienden omga.

Vrij laat op de avond komt oude vriendin nummer twee nog langs. Het is vier jaar geleden dat ik haar terug ontmoette, toen na 15 jaar … We waren als één in het secundair. Elke dag samen naar school fietsen en in het weekend samen uitgaan. Haar levensweg was zo moeilijk dat zij van mijn radar verdween. En toen het mijne de dieperik inging, verscheen zij terug. Vandaag praten we. Onze zonen lopen roepend en schietend achter elkaar aan en voor we het weten tonen we weer wat er binnen leeft en lieft.

‘s Avonds lig ik naast zoonlief te mijmeren.
Mijn feestjes van de laatste jaren zijn anders dan die van vroeger. Rustiger. Liever. Zachter.
Met veel gekwetste mensen die zo schoon en lief zijn. Verschillend. Met dikwijls schrijnende verhalen. Verhalen die ik vier jaar geleden niet zou horen omdat mijn muur toen zo dik was dat niemand het waagde er zichzelf tegenaan te gooien.

Ze zijn mijn gekwetste vogels. Allemaal wat bang en geschonden. Maar met sterke vleugels waaronder wij kunnen schuilen bij noodweer.
Ik zie ze graag.
Mijn mooie gelittekende vrienden.
Ze zijn mijn familie Mijn clan. Mijn groepje.

Ze landen af en toe op mijn terras. Krijgen wat water. Sterken hun vleugels wat aan. Vliegen verder.
Terwijl ik wuif en hen de hoge blauwe lucht ‘inaanmoedig’.

Nu en dan vlieg ik ook. Nog niet altijd zo hoog. Maar ooit zijn mijn vleugels als de hunne.
En zal ik weer helemaal mezelf zijn.
Zoals ik dat vandaag was.
Ik ben rijk …

DAS straf

Gestraft!
Zoonlief is gestraft.

Geen gewoonte hier en ik geloof zelfs dat het slechts de tweede keer is. En die eerste keer was vorige week en wel om dezelfde reden.

De zoon is van het studeerluie type. Om het in het plat Kempens uit de drukken: Hij doet geen LAP!
Tot vorig jaar kon hij zich dat nog permitteren. Dit jaar botst hij regelmatig met zijn neus tegen de spreekwoordelijke blinde muur.

Nu hebben wij meestal nogal een praatmentaliteit in dit twee-personen-gezin en hou ik zelf eerlijk gezegd niet van straffen.

Als gevolg van een twee-verschillende-stijlen-oefening is mijn kind wat ik noem ‘een kaskeskind’ geworden. Lees= hij houdt enorm van videogames, wii en minecraftgedoe. Eindeloze discussies voeren we over het al dan niet gewelddadig zijn van die dingen. Ik heb er een bloedhekel aan maar ben zelf niet echt een voorbeeld van een ‘kaskesloos’ leven. Moeder computert zwaar! Zowel als hobby als werkgerelateerd.

Afijn… om deze twee gegeven feiten naadloos aan elkaar te kleven, kan ik u vertellen dat zoonlief me wijsmaakte dat hij vandaag geen toets had. Dat zijn juf me vertelde dat hij grandioos zakte voor een zware toets van cijferen. Dat ik bijzonder teleurgesteld was en hij dus bijgevolg geen enkel ‘kaske’ mocht gebruiken vandaag.

Het gevolg: een bijzonder boze zoon, een zuchtende moeder …
Gevolg daarvan: zoonlief die gaat pingpongen bij zijn grootmoeder, moeder die rustig rapporten schrijft
Gevolg daarvan: zoonlief die goedgezind thuiskomt en zich nog even in de veranda bij zijn moeder neervleit.

Kort door de bocht gaande gevolgtrekking: geen kaske is een beter leven.
Of zoiets?!

Los-laten

Wij zijn van het groen. De zoon wat minder dan ik en ik wat minder dan mijn moeder maar we zijn van het groen.

Met de fiets naar school slash werk. In het begin wat onwennig, veilig achter mijn rug, nu al heel stoer vooraan. Hij gaat de wielerterroristen niet uit de weg. Soms zelfs met gevaar voor eigen leven.

Mijn teer moederhart smelt als ik hem zo stoer zie rijden. Met zijn fietshelm op. Zijn boekentas die ik niet meer mag dragen want dan “maak je mij belachelijk, mama”. We rijden over het fietspad, door het bos, langs zandweggetjes. Ik probeer een gesprek gaande te houden en hij zwijgt zeer luid. Mijn zoon is van het binnenvetten. Net als ik. 

Soms roept hij me iets toe en dan moet ik twee keer vragen: “Wat zeg je?” want een geopereerd oor hoort goed maar dat andere wordt ook weer hoe langer hoe dover. Hij herhaalt het zonder verpinken. Stoïcijns kan hij zijn. Dat heeft hij niet van mij maar van die andere helft in hem.

Af en toe versnelt hij en kijkt dan bezorgd achterom of ‘zijn moedertje’ hem nog volgt. Ik zeg dan altijd heel vrolijk: “Ik ben er!” waarop hij dan weer erg stoïcijns “Ok” zegt en gestadig doorfietst.

Het is heerlijk dat samenrijden. Ik voel me dan zo verbonden met hem.   We hebben een taal die niet uitgesproken moet worden. Ik zie aan de aarzeling van zijn voet of het draaien van zijn hoofd wat hij wil zeggen. 

Het is liefde. Dat samenfietsen. Dat pure dat moeders hebben.

Wanneer we dan bijna op de bestemming arriveren, roept hij: “Ik ga al hee mama!” en ik antwoord dan elke dag hetzelfde:”Doe maar, jongen!”. Hij staat dan even recht en trapt wat harder. Ik zie hem spurten, ik zie hoe hij zich van mij verwijdert. Dat voelt dan even pijnlijk. Hem loslaten doet bijna fysiek pijn. 

Hij wordt kleiner en kleiner tot hij afdraait en de fietsenstalling binnenrijdt. Even is hij totaal weg, ik zie hem niet meer. Ik vertrouw erop dat hij zijn fiets wegzet, het slot sluit en zijn fietshelm afzet om naar de klas te gaan. Als ik geluk heb, staat hij er nog en krijg ik nog snel een zoen. Maar soms is hij al verdwenen en voel ik hoe ik stiekem wat ongerust word. Het zal toch allemaal wel goed gaan?

Kleine angst is dat. De grote angst manifesteerde zich al een tijd geleden. Op vrijdag nemen we afscheid en weet ik een hele week niet wat er met hem gebeurt, wie hij ontmoet en van welke invloed dat is op hem.

UIteindelijk komen we toch samen op hetzelfde punt. De fietsenstalling, de schoolgang of de speelplaats. Dan spreken we weer snel onze eigen taal. Met een knipoog of een handgroet. Dan weet ik dat we voor altijd verbonden zullen zijn. 

Wanneer voor mij het eindpunt daar is, zal hij me zoenen of groeten. Dan vinden we mekaar weer. Voor het laatste afscheid. Dat voor altijd.

http://www.youtube.com/watch?v=dJAplfbJlmM

Mijn Hollandse tuinkabouter

Hij neemt mijn hand en drukt ze zacht. Ik knijp glimlachend terug. Lachen is het sleutelwoord. Mijn wangen doen er pijn van.

Het is een fijn gevoel. Ik lach graag.
Terwijl hij me jaren geleden erg heeft doen huilen. De eerste man die me ‘dumpte’.
Die twijfelachtige titel krijgt hij.
De eerste man waar ik ‘over’ geraakte. Dat is hij ook.

“We bouwden een droomwereld”, zegt hij. En dan lachen we allebei weer.
Het was zo. ‘We’ konden geen realiteit zijn.
Een Nederlandse Amerikaan of een Amerikaanse Nederlander. Kies maar hoe je hem noemt, die naam betekent redelijk onbereikbaar, niet?

Af en toe spreken we nog eens af. Wanneer hij ‘op het continent’ is, so to speak.
Dan wil hij hele andere dingen dan ik, if you know what I mean.
Ik glimlach dan en wrijf medelevend over zijn arm, I’ll stand my ground.
Enkel vrienden nog, yes we can!
We made a deal!.

Hij maakte me blij op een moment dat ik alleen maar kon huilen. Hij liet me zien hoe het ‘wel’ kan. En daar zal ik hem altijd dankbaar voor zijn.
Maar this ship has sailed en nu zitten we ashore.

Hij blijft mijn Hollandse tuinkabouter.
Dat kleine mannetje dat zijn nationaliteit enkel in lengte geen eer aandoet.
Hij was lief.
Ooit mijn lief.
Nu lief.

Nu is er een ander mijn lief. En lief.
We proberen het nog een keer. We zien wel waar we stranden.
Ik bouw een nieuwe wereld.
De mijne …