Tishiergeenhotel

‘We’ werken voor school. Een leerkracht als moeder hebbende kan zoonlief dat regelmatig luidop zeggen. Nu ja, luidop … hij mompelt het met een bijzonder cynische, ironische ondertoon nadat ik het drie keer door het huis riep.

Het lot wil dat zoonlief niet gezegend is met de meest werklustige studeerhouding. Dat heeft ie van niemand. Zeker niet van bovengetekende. Neen hoor, ik zou het liever aan zijn vader kunnen wijten maar laat die nu net wat meer naar de workaholic-zijde neigen.

Afijn … ‘we’ werken voor school.

Picture this: zoonlief mag aan de grote Macker zitten terwijl moeder Bloem op het bed troont met de laptop op schoot. Ik zit achter zijn rug dus ik kan stiekem wel leuke filmpjes kijken, of de krant lezen, of een onnozel computerspelletje doen. Met zicht op het grote scherm aan mijn rechterkant volg ik perfect wat hij allemaal doet, internetgewijs dan.

Regelmatig keert hij zich naar me toe: Interviewee is toch degene die geïnterviewd wordt, hee? of Hoe vervoeg je se taire?

Dat laatste mag hij dus ook in het Nederlands vervoegen. Hij zwijgt namelijk geen moment. Engelstalige rap en dance begeleiden zijn taak van Nederlands. Hij zingt de teksten perfect correct. Beter dan zijn Franse vervoegingen. Wanneer ik hem vraag hoe hij zijn aandacht er dan kan bijhouden, kijkt hij even met puberogen in de mijne en zucht. “Mamaaaaaaa!” ….

Plots betrap ik er mezelf op dat ik allerlei onzin uitkraam die me vooral heel erg aan mijn moeder doet denken. Ik schrik en slik. O jee …. daar gaat mijn voornemen van 30 jaar geleden … Ik zou nooit zo worden. Ik zou altijd hip en mild zijn, geniaal en breeddenkend … Als moeder zou ik mijn puber volledig begrijpen!

Neen dus!

Neen dus!

Helaas pindakaas. Ik werd mijn moeder!

En dan zingt hij: I like big butts and I cannot lie …

Waar ging het mis????

Advertisements

“Moet dat? Moet dat echt? Ik wil niet!!!!”

Mijn argumenten van ‘ik wil dat je uit je comfortzone komt en eens iets meemaakt dat buiten je leefwereld ligt’ worden van tafel geveegd en bestempeld als je reinste ‘b***lsh***t.

Hij grommelt en gromt door het huis. Pubers verzet en gezeur. Mompelend stapt hij in de auto. Zet zit achteruit met de armen over elkaar. Protest. Fysiek en verbaal. Groot protest dat zich uit in stilte en brommend geprevel.

Ik bestel een glas wijn en vriend bestelt een trappist. Hij moet niets. Neen! Niets. Tokkelt op zijn gsm en verandert in gedachten zijn moeder in een uitroeibare aliën.

Na een kwartier is een ice-tea welkom en gaat hij persoonlijk in de aanschuifrij staan.

Ik vertel hem het verhaal van Django,   probeer hem te motiveren en te ontspannen. Schouders worden opgehaald en zijn mond blijft bits.

Onverwacht komt er een leuke kennis bij ons zitten. Het gesprek gaat over jazz en uiteraard over Django. Mijn leuke kennis is een kenner.

” Weet je? Je zou met een teletijdmachine een eeuw terug gaan en dan uitkomen bij de muziek die je nu gaat horen.”

Voor het eerst zie ik zijn ogen richting het podium gaan. Dat staat nog kaal en kil te wachten op de warmte van muzikanten met een groot hart.

Hij knikt geïnteresseerd toegeeflijk. Mijn kennis weet hoe hij zoonlief moet aanpakken.

De gsm verdwijnt in mijn handtas en de muzikanten starten.

Ik waan me even terug op Lambertmontmartre waar het groepje een fijne ontdekking was. Deze zomer toen de vriend en ik nog meer met elkaar optrokken.

Een diepe zucht ontsnapt me. Zoonlief kijkt opzij en knipoogt. Oef … hij is ontdooid.

Wanneer ik hem betrap op meetikken met zijn voet, ontspan ik helemaal.

“Wie vind je de coolste?” vraag ik hem na verloop van tijd.

Heel ernstig antwoordt hij: “De trompettist … of misschien wel de basspeler.”

We luisteren verder.

Het wordt mooi.

Ik bewandel de dunne lijn tussen loslaten en overhalen. Wat is moeder-zijn soms uitdagend.

Maar mooi. Heel mooi.

 

 

 

The rhythm is gonna get you.

” Tussen 10 en 12″, zegt ze. Inwendig frons ik even. Terwijl zoonlief in de lagere school bij zijn toenmalige vriendje nog minstens een hele dag (na logeerpartij) bleef hangen, is het ritme in het middelbaar duidelijk anders.

Ik lach hartelijk en knik. “Das goed”. Weer wat bij geleerd.

Zoonlief gaat quizzen met zijn huidige beste vriend. Dat duurt tot 12  uur. Zoonlief blijft bijgevolg slapen. Hijzelf denkt dat hij nog wat kan hangen bij zijn vriend. Ik weet dat hij tussen tien en twaalf moet ‘hangen’ met zijn moeder. Zelfs schoenen gaan kopen, tot overmaat van ramp.

Ik stel me zoonlief’s gezicht voor terwijl ik hem straks ga halen. Dat gaat niet goed zijn.

Ai! Dat ritme moeten we nog leren.

“Wij staan hier te knuffelen op straat, mama!”

Hij zegt het met een mengeling van humor en gène.

“Knuffelen op straat, dat kunnen wij hee zoon!”

En dan gooi ik er quasi-stoer nog een Engelse zin achter met cool handgebaar. “We’re into that”. Ik zwaai met mijn armen. Mijn handen maken een stoere stopbeweging. Enkel duim, wijsvinger en pink in de lucht.

Lachend doet hij me na en zegt “Yes”.

En dan geeft hij me met zijn linkerhand drie klopjes op de schouder.

Laat  nu net dat gebaar mijn stoere, cool, ik-ben-een-hippe-moeder-gevoel als een plumpudding in elkaar zakken.

(Zoonlief werd aan de oprit afgezet door zijn net zo knuffelige grootouders. En ik kon niet wachten tot we binnen waren om hem te omhelzen)

Met zijn voeten op mijn schoot kijken we Sinbad. Hij zucht en snuft. Ziek thuisgekomen uit vakantie.
Ik leef me uit in onder het deken stoppen, zakdoek halen, hoofdje wrijven en zachtjes lieve woordjes fluisteren.
Ik ben blij. Hij is thuis.
Hij is minder blij. Ziek zijn is niet fijn. Maar hij wordt graag vertroeteld en verwend.
Doen we dus!

“Om kwart over 7?”

Ik glimlach: “Dat gaat wat te vroeg zijn.”

“Half 8 dan?”

Ik knik. We hebben een date.

Het is vrijdagavond. Om zeven uur vliegt een blije zoon zijn even blije vader rond de hals. Veertien dagen kinderloos zijn … het is vreselijk lang.

Ik drink een glas wijn. Dat kan nog wel even. Ik heb pas om half 8 mijn afspraak.
We praten. Over de zoon. Nieuwe sportschoenen die gekocht werden. De vakantie die hij met papa gaat beleven.
Het is fijn.
Om half 8 vertrek. Ik omhels hem omdat ik blij ben dat ik hem eindelijk kan zien en met hem kan praten zonder dat ik het wanhopige verlangen tot verzoening voel.
Het is een machtig gevoel dat ik wil koesteren.

Mezelf kennende kan dat nog altijd weer minder sterk worden. Maar het fundament is gelegd.

Om kwart voor 8 wandel ik het restaurant binnen.
“Heej Iris” hoor ik verrast. Mijn lieve vriendin met haar gezin zit heerlijk mosselen te eten. Ze vertrekken deze avond op reis. Naar Les Issambres. Waar ik vorig jaar rond deze tijd naartoe ging. We knuffelen en ik stap verder.

Haar hand gaat de lucht in. Hij kijkt om en glimlacht. Altijd met een beetje vocht in zijn ogen.
Hij ziet me zo graag. Ik knik naar een buur die verderop zit en schuif aan.

De eerste avond zonder zoon kan beginnen.
Nu is het mijn beurt om kind te zijn. Ik mag even zeggen dat het afscheid meeviel. Dat ‘hij’ best vriendelijk was. Dat ik graag de wok met scampi’s neem. Dat we een flesje witte huiswijn zullen drinken. Dat mijn grootmoeder wat achteruit gaat. Dat het verdrietig is. Hoe was ze vroeger? We praten over familie, neven, nichten. Over toen ik klein was. Puber …. Dat ze er voor me zijn. Altijd.
Voor ik het weet is het half 12. Het lijkt alsof we nog niet uitgepraat zijn.

Ik voel me gelukkig wanneer ik naar huis rij. Mijn ouders … ze zijn fantastisch.

Kinderloos genieten

Zoonlief is met zijn grootouders naar de Dino’s in Antwerpen.
Vwalla. De boodschap van deze dag die ik u graag meegeef. Mocht het u interesseren?

Ik lummel. Was mijn haar. Hang wat rond Zing een paar rondjes. Ruim wat op.
Zonder het verlorenmoederpoes-gevoel.
Genieten van mijn huis. De zon. Het terras. Mijn boek.
Lekker.

Want straks komt hij terug thuis. Zegt hij ‘goed’ wanneer ik hem vraag hoe het was. Kruipt hij tegen me aan in de zetel. Zijn er knuffels.

Dus ik mis hem niet. Nu niet.

De boekskes hebben gelijk. Het gemis wordt minder en anders.
Twee jaar geleden stierf ik duizend doden.
Nu kan ik het gemis even klasseren en genieten.

Vwalla. Nog een boodschap. Meer voor mezelf dan.